Klikzink
Zet twee verschillende metalen tegen elkaar aan, voeg vocht toe, en er ontstaat een stroompje. Het onedelste metaal van de twee levert elektronen in en gaat daardoor sneller corroderen dan wanneer het alleen had gehangen. Dat heet galvanische corrosie, en het is geen theorie uit een boek: het is de reden waarom een koperen randafwerking naast een stalen dakbaan, na een paar jaar, precies op die randstrook een verkleuring of aantasting laat zien die verder op het vlak niet voorkomt.
Op een dak is dat probleem al bekend. Een loden slabbe bij een schoorsteen, een koperen hemelwaterafvoer die langs een stalen dakvlak loopt: dakdekkers houden daar al rekening mee, met een tussenlaag of door de metalen simpelweg niet rechtstreeks te laten contacteren. Op een gevel komt daar een andere geometrie bovenop, en die geometrie maakt het risico niet kleiner, maar wel anders.
Op een dak ligt een baan. Op een gevel hangt hij. Het verschil lijkt een detail, maar het bepaalt waar vocht zich verzamelt en hoelang het blijft staan. Op een hellend dak loopt water in een gestaag tempo van hoog naar laag, over het vlak, en verlaat de plek waar twee metalen samenkomen relatief snel. Op een verticale gevel loopt water langs het vlak omlaag, maar bij elke onderbreking, elke aansluiting, elke overlap, kan het zich tijdelijk verzamelen en juist daar lang contact maken met twee metalen tegelijk. Een koperen dorpelafdekking onder een stalen gevelbeplating is zo'n plek: het water dat over de gevel naar beneden komt, spoelt letterlijk over de koperoxide heen voordat het de rand van de stalen baan bereikt, en neemt daarbij metaalionen mee die de corrosie van het staal versnellen. Op een dak speelt dat mechanisme ook, maar minder geconcentreerd, omdat het contactvlak daar meestal een lijn is en op een gevel vaker een langere, verticale aanraking.
Daar komt bij dat een gevel andere aansluitdetails heeft dan een dak. Waar op een dak de nok, de kilgoot of de hoekkeper de kritieke plekken zijn, zijn dat op een gevel de dorpels, de negge rond een kozijn en de overgang naar het maaiveld. Precies op die overgangen zit vaak een ander metaal: een aluminium kozijnprofiel, een gegalvaniseerde stalen regel, een loden of zinken dorpelkap uit een eerdere renovatie. Onze felsbanen zijn Sendzimir verzonken staal met een organische coating, en die coating is op het vlak zelf de bescherming. Maar op de plek waar de plaat een ander metaal raakt, telt de coating alleen zolang ze intact blijft. Een beschadigde randsnede, een boorgat, een klemverbinding die per ongeluk tegen een ander metaal aan komt: dat zijn de plekken waar het onedelste metaal het eerst opgeeft.
Hoelang een dergelijk contactpunt meegaat, hangt niet af van één vaste regel maar van een combinatie van factoren: welk metaal welk metaal raakt, hoelang het vocht op die plek blijft staan, en hoe groot het contactoppervlak is ten opzichte van het onedelste metaal. Een klein stukje staal dat een groot koperen vlak raakt, gaat sneller kapot dan een groot stalen vlak dat een klein stukje koper raakt. Dat verklaart waarom een koperen bliksemafleider die met een klem tegen onze stalen gevelbaan is bevestigd, op de lange duur eerder een lokaal probleem geeft bij die klem dan dat het hele gevelvlak eronder lijdt. Het is een kwestie van verhouding, niet van totale hoeveelheid metaal.
De wind speelt op een gevel ook een andere rol dan op een dak. Windbelasting op een verticaal vlak duwt en trekt de baan in een andere richting dan de zwaartekracht op een hellend dak, en dat betekent dat het gewicht van de plaat blijvend aan de bevestiging hangt in plaats van er grotendeels op te rusten. Onze klemmen onder de fels zijn daarop berekend, maar waar die klem een randdetail raakt dat in een ander metaal is uitgevoerd, zoals een aluminium regelwerk of een koperen randlijst, ontstaat opnieuw een contactpunt dat je vooraf in de detaillering moet oplossen, en niet achteraf.
Er zijn gevels waar dit vraagstuk zich eenvoudig niet voordoet: een geveldeel dat volledig in onze stalen felsbanen is uitgevoerd, van hoek tot hoek, zonder aansluiting op koper, lood of een ander metaal, heeft dit probleem niet. De coating beschermt het vlak, en zolang die coating heel blijft, is er geen tweede metaal om een koppel mee te vormen. Dat is de situatie waarin onze bevestiging het meest voorspelbaar gedrag vertoont, ook op de lange termijn.
Het wordt anders zodra een renovatie deels blijft staan. Een bestaande koperen erker naast een nieuwe stalen gevelbeplating, een loden dakkapel die aansluit op een gevel die wij nu bekleden: dat zijn precies de situaties waarin je het contactpunt vooraf moet ontwerpen, met een neutrale tussenlaag of een detail waarbij de metalen elkaar niet rechtstreeks raken. Wij denken daarin mee op tekening, zonder kosten, en dat is ook waar we het liefst worden ingeschakeld: niet als het contactpunt al gelegd is, maar op het moment dat de aansluiting nog op papier staat.
Op een dak is deze afweging, zoals wij uitleggen bij [een klikdak op een gevel in plaats van een dak](/bevestiging/gevel), voor een deel al bekend terrein voor de meeste dakdekkers. Op een gevel liggen de kritieke plekken net ergens anders, vaker bij [de gevelaansluiting](/bevestiging/gevel/gevelaansluiting) rond een kozijn of een dorpel dan bij het vlak zelf. Wie een gevel ontwerpt waarin onze stalen felsbanen een ander metaal raken, doet er goed aan die plek als apart detail te behandelen, met de vraag welk metaal daar het onedelste is en hoelang water er blijft staan voordat het wegloopt. Dat is geen garantie tegen corrosie op die plek, maar het is wel het verschil tussen een contactpunt dat over twintig jaar nog onopvallend is en een contactpunt dat na vijf jaar al een gat laat zien.