Klikzink

Aansluiting van een lager dak op een hogere gevel

Een aanbouw tegen een bestaand, hoger gebouw geeft een aansluiting die niet op het dak zelf ligt maar ertegen omhoog gaat. Het lagere dak stopt, en de gevel van het hogere gebouw loopt door naar boven. Op die opgaande wand komt geen dakbaan te liggen die regen opvangt en afvoert zoals op een plat vlak. Er komt een verticale baan die water dat langs de gevel naar beneden komt, of dat vanaf het dak omhoog spat bij wind, moet keren en afvoeren zonder dat het achter de bekleding kruipt.

Dat verticale stuk werkt anders dan het horizontale dakvlak ernaast, en dat verschil zit vooral in de bevestiging. Op een dakvlak rust de baan op de ondergrond en houdt de klem onder de fels hem op zijn plaats tegen wind en uitzetting. Tegen een opgaande gevel hangt de baan aan die klemmen. Het volledige gewicht van de plaat, ongeveer vijf kilo per vierkante meter, wordt van boven naar onder gedragen door de bevestigingspunten in plaats van dat het gewicht verdeeld over het vlak op iets steunt. Dat vraagt om een regelmatiger klemverdeling over de hoogte van de baan dan op een liggend dakvlak nodig is, en om een stevige bevestiging van de onderconstructie waar die klemmen aan de gevel of aan regelwerk vastzitten.

De hoogteovergang zelf is de plek waar het meeste gebeurt. Onderaan de opgaande gevel, waar het verticale vlak overgaat in het horizontale dakvlak, moeten de klemrijen van beide richtingen op elkaar aansluiten zonder dat er een gat valt waar water juist wél doorkomt. Bij een traditioneel felsdak wordt die overgang dichtgesoldeerd, wat op deze plek precies inhoudt dat er een vakman met een brander langs een gevel op hoogte moet werken. Bij een geklikte baan wordt die overgang gelegd met een aparte overgangsprofiel dat op zijn beurt weer met klemmen vastzit, zodat er geen open naad ontstaat en er ook geen soldeerwerk nodig is op een plek die vaak lastig bereikbaar is.

Water loopt op deze plek een andere weg dan op een dak. Op een dakvlak loopt regen van de nok naar de dakvoet en verdwijnt via de goot, zoals te lezen is bij [de dakvoet op een gevel in plaats van een dak](/bevestiging/gevel/dakvoet). Tegen een opgaande gevel loopt water niet alleen omlaag over de verticale baan, het kan ook van de hogere gevel af naar beneden komen en dan tegen de aansluiting met het lagere dak aan lopen. Die twee waterstromen ontmoeten elkaar precies op de plek waar de bevestiging van het verticale en het horizontale vlak samenkomt. Als daar een schroef door de plaat zou gaan, zoals bij een traditioneel bevestigd systeem kan voorkomen, ligt er een doorboring precies op de plek waar het water zich verzamelt. Bij een blind bevestigde baan zit die kwetsbare plek er niet, maar de klemrij op de overgang moet wel voldoende dicht op elkaar liggen om de baan daar strak tegen de ondergrond te houden, want een lossere baan op die plek geeft een kier waar water juist kan optrekken.

De wind speelt hier ook anders dan op het dakvlak. Op een dak drukt de wind van boven of trekt hij van opzij, en de klemmen onder de fels houden de baan tegen dat drukverschil. Tegen een gevel, vooral hoog tegen een aanbouw op een hoger gebouw, kan de wind ook van onderaf tegen de baan aan komen, langs de gevel omhoog geblazen door de vorm van het gebouw zelf. Een baan die alleen aan de bovenkant goed vastzit en verder los hangt aan een enkele rij klemmen, gaat bij dat soort windbelasting bewegen. Op een dakvlak valt die beweging minder op omdat de baan tegen de ondergrond aan gedrukt wordt; tegen een gevel kan een los bewegend stuk plaat gaan tikken tegen de ondergrond, en dat is meestal het eerste teken dat de klemverdeling op die plek niet fijn genoeg is aangebracht.

Uitzetting is op deze verticale aansluiting een ander verhaal dan op een lang dakvlak. Op een dak zet een baan van, zeg, zes meter lengte over die hele lengte uit en in met temperatuurwisselingen, en de klemmen laten dat toe zonder dat de baan zelf gaat trekken. Op een verticale aansluiting tegen een gevel is de baan vaak korter, van dakvoet tot aan de gevel van het hogere gebouw, maar de baan zit wel over die kortere lengte vast aan twee verschillende constructiedelen: het regelwerk van het lagere dak en het regelwerk of de gevel van het hogere gebouw. Als die twee delen niet gelijk bewegen, bijvoorbeeld omdat de aanbouw op een andere fundering staat dan het hoofdgebouw, komt die zetting of beweging terecht op de klemmen van de aansluitbaan. Bij stalen felsbanen is die uitzetting op zichzelf beperkt, ongeveer de helft van wat zink doet bij dezelfde temperatuurwisseling, maar een verschil in beweging tussen twee gebouwdelen is iets anders dan temperatuuruitzetting en moet in de overgangsdetaillering worden opgevangen, niet in de plaat zelf.

Een fout op deze aansluiting valt zelden meteen op. Het lekt niet bij de eerste regenbui, het lekt na een paar jaar, als de klemrij op de hoogteovergang net iets te ruim is gezet of als het overgangsprofiel niet goed op de klemmen van beide vlakken is afgestemd. Dan trekt water bij aanhoudende regen, of bij wind die het water tegen de gevel opjaagt, net iets verder onder de fels dan bedoeld. Bij een dak zonder doorboringen is dat een ander soort zwakke plek dan bij een dak met schroeven: er is geen gat dat direct lekt, maar een overlap of klemafstand die op de lange termijn niet genoeg tegenhoudt. Dat is precies waarom deze aansluiting bij het leggen extra aandacht verdient, ook wanneer de rest van het dak een gewone, herhaalbare klus is.

Wie deze aansluiting ontwerpt of laat uitvoeren, doet er goed aan de klemverdeling op de hoogteovergang los te bekijken van de rest van het dak, en niet te vertrouwen op de standaardafstand die elders op het vlak wordt gebruikt. Bij Klikzink denken we op tekening mee over hoe die overgang loopt, zonder kosten voor dat meedenken, en leveren we de banen op maat zodat de overgangsprofielen precies aansluiten op de situatie van uw aanbouw.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink