Klikzink

Wie kan zinklook leggen op houten dakbeschot

Een traditioneel felsdak wordt gemaakt door iemand die met een felsmachine overweg kan, of die de fels met de hand en het felstang zet. Dat is een vak dat je leert door het jaren te doen, en de kwaliteit van het werk zie je vaak pas na een paar winters, als de eerste felsen los beginnen te trekken of als er ergens water blijft staan. Bij klikzink vervalt die stap. De banen hebben de fels al, haaks opstaand en fabrieksmatig gezet met de walsmachine. Op de bouw wordt er niets meer gefelst. Er wordt geklikt.

Dat verandert wie het werk kan doen. Een dakdekker die gewend is met plaatmateriaal te werken, die weet hoe je een baan recht legt en hoe je een klem op de juiste plek zet, kan dit leren. Het is geen kwestie van een filmpje kijken en beginnen: er is nog steeds gevoel voor nodig, vooral in de hoeken en bij de randen, en bij het bepalen van de uitzetting over de lengte van een baan. Maar het is een ander soort vakmanschap dan felsen. Waar felsen draait om het zetten van de naad zelf, draait klikken om de opbouw eronder: de klemmen recht, op de juiste afstand, goed vastgezet in de ondergrond. Wie dat kan controleren en corrigeren, kan het dak leggen. Een aannemer die een ploeg heeft ingewerkt op de eerste paar daken, merkt vaak dat de tweede en derde klus al aanzienlijk vlotter gaan.

Wat er dus wel moet blijven staan: kennis van de ondergrond, van uitzetting, van hoe je een dakvlak indeelt zodat de klemafstand klopt en de baan recht blijft liggen. Dat is geen handwerk met een gereedschap dat je jaren moet trainen, maar het is wel iets waarin je fouten kunt maken die je pas bij de eerste regenbui of de eerste vorstperiode terugziet.

De ondergrond: geschaafd hout op de gordingen

Op houten dakbeschot ligt dat net iets anders dan op een dichte plaat. De klassieke opbouw hier is geschaafde delen of planken, aangebracht op de gordingen, met tussenruimte of juist strak tegen elkaar, afhankelijk van hoe het dak verder is opgebouwd. Op deze ondergrond wordt de klem met een schroef vastgezet, en die schroef moet pakken in het hout zelf. Dat is een ander verhaal dan schroeven in plaatmateriaal of in een houten plaat met een egale dikte.

De uittrekwaarde van die schroef hangt af van twee dingen: de dikte van de plank en de houtsoort. Een dikke, stevige plank grenenhout geeft een andere houvast dan een dunnere lat vurenhout. Bij geschaafde delen die dun zijn uitgevallen, of bij hout dat zachter is dan verwacht, kan de schroef minder grip vinden dan op een dichte, gelijkmatige plaat. Dat is geen kwestie van het klikzinksysteem dat hier zwakker zou zijn; het ligt aan wat er onder de klem zit. Een dakdekker die dit vaker doet, controleert daarom niet alleen of de schroef erin gaat, maar ook of hij goed vastzit, en past zo nodig de schroeflengte of het type aan op de houtsoort die op dat specifieke dak ligt.

Er is hier dus een stap extra aandacht nodig die op een dichte, egale ondergrond minder speelt: weten wat voor hout er ligt, en niet zomaar aannemen dat elke plank dezelfde houvast geeft als de vorige.

Vochtig hout en het probleem van later krimpen

Het aandachtspunt dat bij deze ondergrond het meest naar voren komt, is vocht. Houten dakbeschot dat vochtig is aangebracht, of dat nog niet volledig is uitgedroogd op het moment dat het dak wordt dichtgelegd, gaat na verloop van tijd krimpen. Dat krimpen gebeurt onder de klemmen door, en een schroef die eerst strak vastzat in vers hout kan na een paar maanden of een paar seizoenen losser komen te zitten, simpelweg omdat het hout eromheen is ingedroogd en kleiner is geworden.

Dit is iets waar een dakdekker die de klus aanneemt op moet letten voordat de eerste klem wordt gezet, niet iets wat achteraf met het klikzinksysteem valt te herstellen. Een schroef die los komt te zitten in gekrompen hout, geeft een minder stevige klem, en een minder stevige klem is precies de plek waar een dak later gaat werken bij wind of temperatuurwisseling. Bij een dichte, droge, fabrieksmatig geproduceerde plaat speelt dit nauwelijks; bij geschaafde delen die op de bouwplaats zijn aangebracht en soms nog vocht bevatten uit opslag of transport, is het reƫel.

De praktische consequentie is dat een dakdekker op deze ondergrond niet alleen let op hoe de baan ligt, maar ook navraag doet naar hoe lang het hout al ligt, hoe het is opgeslagen, en of het is drooggehouden tot het moment van dichtleggen. Dat is geen vraag die je bij een plaatmateriaal als ondergrond hoeft te stellen, en het is precies waar deze ondergrond ongunstiger uitpakt dan een egale, stabiele plaat. Wie daar geen aandacht aan geeft, loopt het risico dat het dak er de eerste maanden prima bij ligt en pas na een winter merkbaar losser wordt onder de klemmen.

Wat dit betekent voor wie de klus aanneemt

Voor een aannemer die een dakdekker inhuurt, of voor een architect die het bestek schrijft, betekent dit dat de keuze voor houten dakbeschot als ondergrond een extra controlepunt met zich meebrengt, los van de vraag wie het werk fysiek uitvoert. Het leggen zelf, het klikken van de banen, is te leren voor een dakdekker die met plaatmateriaal overweg kan; dat vakmanschap verschuift van het felsen naar het beoordelen van de ondergrond en het correct plaatsen van de klemmen. Maar de staat van het hout eronder, de houtsoort, de dikte van de delen en het vochtgehalte, is een factor die vooraf moet worden gecontroleerd en niet iets waar het bevestigingssysteem zelf iets aan verandert.

Wij denken op tekening mee over hoe een dakvlak wordt ingedeeld en waar de klemmen het beste vallen ten opzichte van de gordingen; dat kost niets en het scheelt vaak een correctieronde op de bouwplaats. Wat wij niet overnemen, is de beoordeling van het houten dakbeschot zelf. Dat blijft bij de dakdekker en de aannemer, en het is verstandig om dat gesprek te voeren voordat de eerste baan wordt geklikt, niet nadat het dak al dicht ligt.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink