Klikzink
Op een dak ligt een felsbaan. Op een gevel hangt hij. Dat verschil klinkt klein, maar het bepaalt waar de krachten in onze bevestiging terechtkomen, en dat is precies waar dit stuk over gaat: niet over hoe de klik werkt, maar over wat er verandert als u dezelfde klem inzet op een verticaal vlak.
De klem zelf verandert niet. Onder elke fels zit een klem die vastzit op de ondergrond, en de baan klikt daar met zijn opstaande felsrand van 35 mm overheen. Er gaat geen schroef door de plaat. Dat principe is hetzelfde op een dak van zes graden als op een verticale gevel van negentig graden. Wat wel verandert is de richting van de kracht die de klem moet opvangen.
Op een dak rust het gewicht van de baan grotendeels op de ondergrond, verdeeld over het hele vlak. De klemmen houden de baan vooral tegen opwaaien en tegen verschuiven langs de helling. Op een gevel is dat anders. Daar hangt het volle gewicht van de baan, ongeveer 5 kg per vierkante meter, aan de klemmen die onder de fels zitten. Elke klem in de langsrichting van de baan draagt een deel van dat gewicht mee naar de klem erboven, tot aan de bovenste bevestiging die het geheel vasthoudt. Dat is de reden waarom de plaatsing en de dichtheid van de klemmen op een gevel nauwkeuriger uitgewerkt wordt dan op een dakvlak met een lage helling: niet omdat het systeem daar zwakker is, maar omdat de belasting een andere kant op werkt.
Blinde bevestiging heeft op een dak één duidelijk voordeel: er is geen schroefgat waar water doorheen kan trekken. Op een gevel is dat voordeel er ook, maar het is minder het punt. Bij een verticaal vlak loopt water vrijwel direct naar beneden af, over het oppervlak van de plaat, en trekt zich veel minder snel terug onder een fels dan op een vlak dak waar water blijft staan of langzaam afloopt. Het risico dat we op een dak willen vermijden, namelijk dat een doorboring op een langzaam afwaterend vlak een lek wordt, is op een gevel al kleiner voordat er ook maar een klem in het spel komt.
De zwakke plek op een gevel zit dus niet primair bij het risico op water dat via een gat naar binnen trekt. Die zit bij de aansluiting van de bekleding op de ondergrond, en bij hoe de wind aangrijpt. Wind op een gevel werkt anders dan wind op een dakvlak: een gevel staat de wind recht aan, terwijl een dak vaak onder een hoek staat waardoor de wind er meer overheen strijkt dan er recht tegenaan duwt. Een verticale felsbaan krijgt dus een andere windbelasting dan diezelfde baan op een hellend dak, en dat is precies waar de klemafstand op wordt afgestemd. Een aannemer die een gevelbekleding aanbrengt op een hoge, vrijstaande gevel waar de wind ongehinderd op staat, werkt met een andere klemdichtheid dan bij een lage gevel in de luwte van andere bebouwing.
Op een dak werkt u meestal van de dakvoet naar de nok, in horizontale stroken die elkaar overlappen. Op een gevel werkt u van onder naar boven, maar de banen zelf liggen verticaal: elke baan loopt van de onderkant van de gevel tot de bovenkant, of tot een tussenaansluiting als de gevel hoog is. Dat betekent dat een dakdekker die gewend is aan horizontaal werken op een gevel een andere beweging maakt. De baan wordt onderaan vastgeklikt, vervolgens omhoog gebracht en met de klemmen die al op de ondergrond zitten in de fels van de vorige baan geklikt. Er is geen stapeling van korte stroken zoals bij een dakvoet die naar de nok toe werkt; er is een aaneengesloten verticale lijn die in één keer de hele gevelhoogte overbrugt, tot de op maat afgekorte lengte van de baan dat toelaat.
Dat heeft een praktische kant. Een baan die op maat is afgekort tot de volledige gevelhoogte, tot 8000 mm op de millimeter, moet in zijn geheel gehesen en ingehangen worden. Op een dak legt u een plaat neer en schuift hem op zijn plek; op een gevel moet die plaat omhoog gebracht worden en aan de klemmen komen te hangen voordat hij zijn definitieve positie krijgt. Dat vraagt een andere planning van het werk op de steiger, en een andere volgorde van klemmen die al vast moeten zitten voordat de baan omhoog gaat. Het is niet moeilijker, maar het is een andere handeling dan op een dak, en een dakdekker die voor het eerst een gevel doet, doet er goed aan daar rekening mee te houden in de planning van de dag.
Uitzetting, en waarom die op een gevel minder ruimte vraagt om zich te verstoppen
Staal zet uit bij warmte, ook onze felsbanen, al is dat ongeveer half zoveel als bij zink. Op een dak zit die uitzetting verwerkt in de manier waarop de klem onder de fels een beetje kan meebewegen zonder dat de fels zelf onder spanning komt. Op een gevel speelt hetzelfde mechanisme, maar de uitzetting werkt hier in de lengte van een baan die van onder naar boven over de volle gevelhoogte doorloopt. Bij een lange verticale baan is de absolute uitzetting over die lengte iets om in de opbouw mee te nemen, vooral bij de kleuren die in de volle zon staan en dus het meest opwarmen. De klem is daarop gemaakt, maar het is een van de punten waar de keuze voor een lange, ongedeelde baan op een hoge gevel vraagt om vooraf even mee te rekenen, iets waar wij op tekening kosteloos in meedenken.
Er zijn situaties waarin een verticale felsbaan op een gevel minder voor de hand ligt dan op een dak. Bij een gevel die volledig in de wind staat, zonder enige luwte, en waar bovendien de gevelhoogte de grens van een enkele baanlengte benadert, ontstaat een combinatie van hoge windbelasting en een lange, zware baan die aan zijn bevestiging hangt. Dat is op te lossen met een dichtere klemverdeling en eventueel een onderbreking in de gevelhoogte, maar het maakt het ontwerp minder eenvoudig dan een rustig dakvlak op een normale helling. Wie twijfelt of een specifieke gevel in die categorie valt, doet er goed aan dat vooraf te laten uitrekenen in plaats van dat tijdens de uitvoering te ontdekken.
Wie wil weten hoe de bevestiging bij een specifieke gevelaansluiting werkt, vindt dat op de pagina die daar apart over gaat; hier ging het om het verschil dat verticaal in plaats van horizontaal maakt voor de klem zelf.