Klikzink
Een dakvlak vraagt om iets anders dan een gevel, en dat begint al bij de keuze van het vlak zelf. Op een dak vangt een verstijvingsril of het patroon van micro-lines de kleine welvingen op die vanzelf ontstaan als een lange plaat in de zon ligt en weer afkoelt. Op een gevel, van dichtbij bekeken en vaak in laag invallend licht, kiezen opdrachtgevers en architecten regelmatig voor het vlakke uitvoering zonder ribbels. Dat geeft het strakste beeld, maar het is ook de uitvoering die het onbarmhartigst is voor wat er onder de plaat zit en voor wat er achter de plaat gebeurt.
Een rib of een lijnenpatroon breekt het licht een beetje en verdoezelt zo oneffenheden. Een vlakke plaat doet dat niet. Elke oneffenheid in de onderconstructie, elke klem die net iets anders is aangedraaid dan de klem ernaast, wordt zichtbaar zodra de zon er schuin overheen scheert. Dat is geen gebrek van de plaat maar een eigenschap van glad staal, en het betekent dat de regelwerk-aansluiting en de klemafstand op een vlakke gevel nauwkeuriger moeten zijn dan op een dak met reliëf. Wij wijzen opdrachtgevers hier altijd op voordat de keuze definitief is: een glad vlak vergeeft minder.
Op een dak ligt een felsbaan, in de gewone betekenis van het woord, op zijn plek. De ondergrond draagt het gewicht, de klemmen houden de baan tegen opwaaien en tegen verschuiven, en het water dat over het vlak loopt volgt de helling naar de goot. Op een gevel is de baan meestal verticaal gemonteerd, en dan verandert de rol van elke klem. De plaat hangt aan zijn bevestiging in plaats van erop te rusten. Het eigen gewicht van de baan, ongeveer vijf kilo per vierkante meter, wordt van boven naar onder doorgegeven via de klemmen die de fels vastpakken, en de onderste klem in een lange baan draagt daardoor het gewicht van alles wat erboven hangt.
Dat verandert ook hoe wind en water zich gedragen. Op een dakvlak duwt de wind vooral omhoog, tegen de onderkant van de plaat. Op een gevel duwt en trekt de wind zijwaarts en van voren, recht op het vlak, en die kracht wordt over de volle lengte van de baan door de klemmen opgevangen in plaats van geconcentreerd bij de rand. Regenwater loopt op een gevel sneller weg dan op een dak omdat de helling steiler is, wat op zich gunstig is, maar het betekent ook dat een gevelbaan minder tijd heeft om zich te herstellen van een lekkende naad voordat het water al naar binnen is getrokken. Wij bespreken de aansluiting van gevelbanen op het dakvlak zelf uitgebreider zoals wij uitleggen bij een klikdak op een gevel in plaats van een dak, maar de bevestiging binnen het gevelvlak zelf is wat hier telt.
De klem is het punt waar alle krachten samenkomen: het gewicht dat naar onder trekt, de wind die opzij duwt, en de uitzetting die de plaat in zijn lengte beweegt bij temperatuurwisseling. Staal zet ongeveer half zoveel uit als zink, en dat is een van de redenen waarom deze banen in staal worden uitgevoerd, maar uitzetting blijft aanwezig en moet ergens heen kunnen. Op een dak wordt die beweging vaak verdeeld over de volle lengte van een baan die van nok tot dakvoet loopt. Op een gevel, met een baan die van boven tot onder tussen twee vaste punten zoals de dakrand en de gevelaansluiting hangt, moet dezelfde beweging worden opgevangen door een reeks klemmen die elk een klein stukje meebewegen zonder dat de plaat gaat golven of, aan de andere kant, zonder dat de klem zelf gaat verschuiven.
Hoe dichter de klemmen bij elkaar staan, hoe minder beweging elke klem individueel moet opvangen en hoe kleiner de kans dat een enkele klem overbelast raakt. Bij een gladde uitvoering zonder ribbels is die overweging zwaarder dan bij een geribbelde plaat, omdat elke oneven beweging tussen twee klemmen direct als een golfje in het vlak te zien is. Dat is geen esthetisch detail alleen: een golf in het vlak is ook een plek waar water niet meer vanzelf wegloopt maar blijft liggen tegen de volgende naad. Op een breed vlak, dus bij bredere banen binnen de bandbreedte die geleverd wordt, is dat effect groter dan op een smallere baan, simpelweg omdat er meer plaat is die tussen twee klemmen door kan bewegen.
De grens van deze aanpak zit niet in de klem zelf, die is ontworpen om een fels vast te pakken zonder de plaat te doorboren, maar in de combinatie van gladheid, gevelrichting en de lengte van het vlak. Een lange, gladde, verticale baan op een hoge gevel vraagt om een regelwerk dat vlak en stijf genoeg is om die klemmen op exact de juiste plek en met een gelijke aandraaikracht te laten zitten, want een verschil dat op een dak wegvalt in het reliëf van een ril, is op een glad gevelvlak van veraf zichtbaar. Wanneer de onderconstructie niet die nauwkeurigheid kan bieden, of wanneer de gevel zo hoog is dat het gewicht dat aan de onderste klemmen hangt buiten wat wij verantwoord vinden komt te liggen, is een vlak zonder ribbels niet de juiste keuze en raden wij een uitvoering met verstijvingsril of micro-lines aan, die de kleine oneffenheden opvangen die bij deze schaal onvermijdelijk zijn.
Ook bij de randen van het vlak verandert er iets. Waar een dak het vlak afsluit bij de dakrand of het boeiboord, zoals wij beschrijven bij het boeiboord op een gevel in plaats van een dak, sluit een gevelvlak vaak af tegen een kozijn, een luifel of een overstek. Die overgang is op een gladde plaat feller zichtbaar dan op een geribbelde, en de klem die het laatste stuk van de baan vasthoudt voor die overgang draagt daardoor niet alleen gewicht en windbelasting maar moet ook nog precies stil blijven staan, omdat elke afwijking hier direct opvalt in de lijn tussen plaat en kozijn.
Wij denken hierover mee op tekening, zonder kosten, en juist bij verticale gevelvlakken zonder ribbels vragen wij altijd naar de hoogte van het vlak en de opbouw van het regelwerk voordat wij een klemindeling voorstellen. Van de drie matte kleuren, Nordic Night Black, Slate Grey en Metallic Dark Silver, is er van elk kleur een monster beschikbaar, en op een glad vlak is het juist de moeite waard om dat monster in het eigen licht van de gevel te bekijken voordat de keuze voor vlak zonder ribbels wordt vastgelegd.