Klikzink
Een baan op maat gewalst voor een dak en een baan op maat gewalst voor een gevel komen uit dezelfde machine, met dezelfde fels van 35 mm en dezelfde werkende breedte van 475 mm. Het verschil zit niet in de baan, het zit in de richting waarin die baan hangt en in wat de bevestiging daardoor te doen krijgt.
Op een dak ligt een felsbaan. De plaat rust op de ondergrond, de klem onder de fels houdt hem tegen opwaaien en tegen verschuiven, maar het gewicht van het staal wordt grotendeels door het dakvlak zelf gedragen. Op een gevel is dat anders. Daar hangt de baan. Het volledige gewicht van de plaat, van boven tot onder, wordt door de klemmen langs die ene lengte gedragen, niet door een oppervlak waarop hij ligt. Bij vijf kilo per vierkante meter en een baan die van goot tot plint doorloopt zonder dwarsnaad, is dat een aaneengesloten last die ergens moet worden opgevangen.
Een baan op maat gewalst, zonder lasnaad of overlap in de lengte, is precies de reden dat we op maat walsen in plaats van standaardlengtes te knippen en aan elkaar te zetten. Op een dak voorkomt dat een naad die op de langere termijn de zwakste plek in het vlak is: een aansluiting waar water kan binnendringen, waar de plaat kan gaan werken, waar een volgende dakdekker als eerste gaat kijken bij een lekkage. Diezelfde naad wegnemen op een gevel doet hetzelfde voor het waterprobleem, maar verandert ook de belasting. Waar op een dak een dwarsnaad de last over twee stukken plaat en twee sets klemmen verdeelde, komt bij een gevelbaan zonder naad die volledige lengte, en dus het volledige gewicht van die lengte, op één ononderbroken rij klemmen terecht. De baan wordt sterker tegen water, maar de klemmenrij krijgt er meer aan te dragen.
Dat is de ruil die bij gevelbekleding standaard aan de orde is: minder zwakke plekken in het vlak, meer gewicht per doorlopende klemlijn. Op een laag object met korte gevelhoogte is dat verschil met een dak nauwelijks te merken. Op een hoog pakhuis, een bedrijfshal met een gevel van tien meter of een woontoren waar de beplating van dakrand tot plint in één stuk loopt, telt elke meter extra lengte mee in wat de onderste klemmen te verduren krijgen.
Het aantal klemmen per baan hangt af van de lengte van de baan, de hoogte van de gevel en de windbelasting op die locatie, niet van de breedte van de plaat of van de kleur die erop zit. Bij een verticale toepassing komt daar de eigen gewicht van de plaat bovenop, wat bij een horizontale dakbaan een veel kleinere rol speelt. Een klem meer of minder is dus nooit een kwestie van een vaste regel die voor elk project hetzelfde is: het hangt af van de gevel waar de baan tegen komt te hangen.
Wat we wel kunnen zeggen is waar de grens in de praktijk ligt. Bij een lage klemafstand, dus veel klemmen dicht op elkaar, verdeelt het gewicht van de baan zich over meer punten en wordt de belasting per klem kleiner. Bij een hoge klemafstand draagt elke klem meer, en groeit het risico dat de klem op enig moment wordt overbelast of dat de plaat rond het klempunt gaat vervormen. Waar die grens precies ligt, hangt af van de gevelhoogte, de windzone en de manier waarop de ondergrond waarop geklemd wordt is opgebouwd. Dat rekenwerk doen we op tekening, per project, niet met een vaste tabel die voor elk gebouw dezelfde uitkomst geeft.
Staal zet uit bij warmte, en onze banen doen dat ongeveer half zoveel als zinken platen. Op een dak werkt die uitzetting grotendeels in de lengte van de baan, over het dakvlak, en de klemmen zijn daarop gemaakt: ze houden de plaat vast zonder hem vast te zetten, zodat de plaat onder de klem door kan bewegen als de temperatuur wisselt. Op een gevel gebeurt precies hetzelfde, alleen werkt die beweging nu in de richting van het gewicht dat er al op staat. Een zomerse dag verlengt de baan een klein stukje, een winternacht verkort hem weer, en dat gebeurt in de richting waarin de plaat ook hangt.
De klem moet dus twee dingen tegelijk kunnen: de baan vasthouden zodat hij niet naar onder zakt door zijn eigen gewicht, en de baan toch laten bewegen zodat de uitzetting zich niet opstapelt bij één vast punt. Dat is precies waarom de klem onder de fels zit en niet door de plaat heen schroeft. Een schroef door het staal zou de plaat op die plek vastzetten, en dan zou alle uitzetting van de rest van de baan zich concentreren rond dat ene gat, met scheuren of vervorming als gevolg na een paar jaar temperatuurwisselingen. De klem laat het staal glijden en houdt hem tegelijk op zijn plek.
Op een dak loopt water van boven naar onder over het vlak en verdwijnt bij de goot. Op een verticale gevel loopt water vanaf het eerste moment langs de baan naar onder, zonder dat er een vlak is dat het water even vasthoudt. Dat is voor de klem geen probleem, water dat langs de fels naar onder loopt raakt de klem zelf niet, die blijft droog onder de opstaande rand. Waar het wel verschil maakt, is bij de windbelasting. Een gevel krijgt windzuiging en winddruk uit een andere hoek dan een dakvlak, en juist bij hoekpunten van een gebouw, waar de wind versnelt, kan die belasting hoger zijn dan op een vergelijkbaar dakvlak. Dat is een van de redenen waarom de klemafstand bij een gevel per project wordt bepaald, en niet wordt overgenomen uit een dakproject verderop op dezelfde bouwplaats.
Wat een dak zonder doorboringen wint, en een gevel zonder doorboringen extra wint
Op elk vlak, dak of gevel, geldt dat een schroef door de plaat een plek is waar water op enig moment naar binnen kan als de coating rond het gat gaat werken. Blinde bevestiging met klemmen onder de fels haalt die zwakke plek weg, op een dak net zo goed als op een gevel. Op een gevel komt daar een tweede winst bovenop: een schroef die door de plaat heen zit, houdt de plaat op die plek volledig vast, en bij een verticale toepassing met veel eigen gewicht is dat precies de plek waar de plaat als eerste gaat scheuren onder de combinatie van gewicht en temperatuurwisseling. Geen doorboringen betekent hier niet alleen een dichter vlak, het betekent ook dat de plaat kan doen wat hij moet doen: hangen, bewegen, en dat op elk klempunt evenredig verdelen.
Een baan zonder dwarsnaad is niet voor elke gevel de juiste keuze. Bij een zeer hoge gevel kan de lengte van de baan, en dus het gewicht dat op de onderste klemmen komt te staan, een reden zijn om het vlak juist wel op te delen in twee kortere secties met een overlappende aansluiting, in plaats van één ononderbroken lengte te leggen die de klemmenrij aan de onderkant zwaar belast. Dat is een afweging die per gevel gemaakt wordt, niet een keuze die we op voorhand voor u maken. Wij denken op tekening mee over waar die grens voor uw project ligt, zonder dat dat meedenken u iets kost, en er liggen monsters van de drie kleuren als u ook wilt zien hoe het vlak er in het echt uitziet.