Klikzink
Als het waait, duwt de wind niet alleen tegen het dakvlak. Het gevaarlijkste effect is windzuiging: de lucht die over het dak stroomt trekt de bedekking omhoog, als een deksel dat van een pot wordt getild. Die zuigkracht is niet overal gelijk. Aan de rand van het dak en bij de nok is hij het grootst, omdat de luchtstroom daar loslaat en wervelt. In het midden van een groot vlak is de zuiging veel milder. Onze felsbanen zitten vast met klemmen onder de fels, niet met een schroef die dwars door de plaat gaat, en die klemmen moeten die zuigkracht opvangen. Hoe dicht de klemmen bij elkaar staan, bepaalt dus hoeveel kracht elke klem te verduren krijgt.
De klemafstand is daarmee geen vast getal dat voor elk dak hetzelfde is. Bij de rand en de nok worden de klemmen dichter bij elkaar gezet dan in het midden van het vlak, precies omdat daar de rekensom ongunstiger uitvalt. Dat is geen kwestie van voorzichtigheid toevoegen, het is het antwoord op waar de wind daadwerkelijk het hardst trekt. Een dakdekker die dat weet, legt de banen niet overal met dezelfde regelmaat vast, en een architect die dat weet, vraagt er ook naar bij de tekening.
De rekensom die de klemafstand bepaalt, gaat uit van een ondergrond die de trekkracht van de klem kan opnemen. Op een houten dek is dat een balk of plaat met genoeg vlees om een schroef stevig te laten bijten. Op een damwand- of trapeziumplaat als drager ligt dat anders. De klem zit dan vast in dun staal, meestal met een zelfborende of zelftappende schroef die in de bovenflens van de damwand grijpt. Dat is een heel andere verbinding dan een schroef in hout: de trekvastheid hangt af van de dikte van die stalen flens en van hoeveel materiaal de schroefdraad daar te pakken heeft. Dat is minder dan bij een houten ondergrond, en dat is precies de reden waarom de klemafstand op stalen dakplaat vaak kleiner moet zijn dan op hout, zeker bij de rand en de nok.
Er is nog een tweede verschil, en dat is trilling. Een dak op een houten dek beweegt nauwelijks; hout dempt. Een dak op een stalen drager kan meetrillen met de damwand zelf, vooral bij windstoten die kort op elkaar volgen. Die trilling zet zich af op de schroefverbinding onder de klem. Waar bij hout de vermoeiing van het materiaal zelden een probleem wordt, is dat bij dun staal wel iets om in de rekensom mee te nemen. Een klem die op papier stevig genoeg is voor de windzuiging, kan bij herhaalde trilling toch losser gaan zitten dan bedoeld, en dat is precies waarom bij stalen dakplaat vaker met een kortere klemafstand wordt gerekend dan strikt nodig zou zijn op hout.
Uitzetting komt daar nog bovenop. Onze stalen felsbanen zetten ongeveer half zoveel uit als zink, en dat is aardig te overzien op een houten ondergrond die zelf niet meebeweegt. Op een stalen drager beweegt de ondergrond echter ook, met de temperatuur van het gebouw zelf. Bij een lange baan op een damwanddak schuift de plaat dus niet alleen ten opzichte van zichzelf, maar ook ten opzichte van een drager die op zijn eigen tempo werkt. Bij storm speelt dat niet rechtstreeks een rol, koude harde wind veroorzaakt geen snelle temperatuurschommeling, maar het is wel de reden waarom de klemmen bij stalen dakplaat sowieso al met meer speling zijn ontworpen dan bij een star houten dek. Die speling helpt ook bij windbelasting: een klem die niet star vastzit maar een beetje mee kan geven, breekt minder snel af bij een plotselinge rukwind dan een klem die helemaal geen ruimte heeft.
Het eerlijke antwoord is dat een stalen dakplaat als ondergrond, wat windvastheid betreft, niet de sterkste kaart is die u kunt trekken. Op een houten dek is de trekvastheid van de schroefverbinding hoger en voorspelbaarder, en dat geeft meer ruimte in de klemafstand. Op damwandplaat is die ruimte kleiner. Dat betekent in de praktijk dat bij eenzelfde windbelasting op een stalen drager vaker en dichter geklemd moet worden, vooral in de zones die toch al het zwaarst belast zijn. Bij een loods met een groot, open dakvlak en een hoge ligging, waar de wind vrij spel heeft, telt dat verschil harder door dan bij een laag gebouw tussen andere bebouwing.
Dat is geen reden om stalen dakplaat als ondergrond af te raden, het is een reden om de rekensom niet over te slaan. Bij een pand waar de windbelasting aan de rand en de nok berekend hoog uitvalt, en waar de damwandplaat dun is, kan de nodige klemafstand zo klein worden dat het praktisch is om de detaillering aan de rand anders op te lossen dan op een houten dek gebeurt, zoals wij uitleggen bij [de dakrand op stalen dakplaat](/bevestiging/stalen-dakplaat/dakrand). Bij een nok, waar twee dakvlakken samenkomen en de zuiging vaak het hoogst is, geldt dezelfde logica nog sterker, en die uitwerking staat bij [de nok op stalen dakplaat](/bevestiging/stalen-dakplaat/nok).
Voor een aannemer die een dak op damwandplaat aanneemt, is de praktische consequentie dat de klemafstand niet zomaar uit een tabel voor houten daken gekopieerd kan worden. De dikte van de damwand, de hoogte van het gebouw, de ligging ten opzichte van open terrein en de plek op het dak bepalen samen hoe dicht de klemmen moeten staan. Bij een laag bedrijfspand in beschutte ligging kan dat weinig verschil maken met een houten dek. Bij een vrijstaande loods op een industrieterrein, waar de wind ongehinderd over het dak kan waaien, kan het verschil groot genoeg zijn om vooraf te laten uitrekenen of de gekozen damwandplaat wel dik genoeg is voor de klemmen die de rand en de nok nodig hebben.
In die zin is het antwoord op wat er bij storm gebeurt op stalen dakplaat niet anders dan bij hout wat het principe betreft: de wind trekt het hardst aan de rand en de nok, en de klemafstand is daarop de rekensom die het dak op zijn plek houdt. Het verschil zit in de marge. Op hout is die rekensom vaak ruimer, op dun staal is hij strakker, en dat strakke karakter is precies waar bij de planning van een damwanddak rekening mee gehouden moet worden voordat de eerste baan wordt gelegd.