Klikzink
De nok is de plek waar twee dakvlakken elkaar bovenaan raken. Daar moet iets liggen dat water aan beide zijden naar beneden stuurt, en dat tegelijk toestaat dat het materiaal daaronder beweegt. Bij een felsdak en bij een EPDM-dak wordt dat probleem op een andere manier opgelost, en dat komt vooral doordat de bevestiging van de baan zelf al zo verschillend is.
Bij onze banen eindigt de fels ergens onder de nok, en wordt er een nokstuk overheen gezet dat de kop van de baan afdekt zonder hem vast te zetten. De baan zelf hangt aan klemmen die onder de fels verscholen zitten, en die klemmen laten de plaat toe om in lengte te bewegen bij temperatuurwisseling. Het nokstuk moet dus meebewegen met een onderliggend vlak dat niet stil ligt. Dat lossen we op door de nokafwerking zelf ook los te koppelen van de plaat, met een overlap die ruimte geeft. Hoe die overlap er precies uitziet bij ons systeem, staat beschreven bij [de nok bij een klikdak](/bevestiging/nok).
Bij EPDM ligt dat anders, en niet per se slechter. Een rubberdoek wordt niet vastgeklemd maar gekleefd of geballast, en een rubberdoek zet nauwelijks uit in de zin waarin metaal dat doet. De nok is dan vaak simpelweg het punt waar de doek over de daknok heen doorloopt, in één stuk, zonder naad. Dat is in bepaalde opzichten eenvoudiger dan wat wij doen. Er is geen aparte nokafwerking nodig die beweging moet opvangen, omdat er weinig te bewegen is. Een dakdekker die EPDM legt, plakt de doek over de nok en is klaar; er komt geen los onderdeel bij dat nog moet aansluiten op een bewegende plaat.
Het eerlijke antwoord is dat een rubberdoek over de nok minder onderdelen kent dan een felsdak over de nok. Bij ons zijn er de platen, de klemmen, en een apart nokprofiel of nokstuk dat weer op zijn eigen manier bevestigd moet worden, meestal ook weer blind, zodat er ook daar geen schroef door het zichtvlak gaat. Dat is een extra bewerking op de bouwplaats. Bij EPDM is de nok in veel gevallen gewoon een vouw in dezelfde baan, of een las tussen twee stukken doek die verder niet wezenlijk verschilt van een las elders op het dak. Wie een dak wil met zo weinig mogelijk verschillende onderdelen en verbindingen, moet die kant van de vergelijking niet wegpoetsen.
Er is nog een tweede punt waar EPDM het eenvoudiger heeft: een rubberdoek volgt een ronde nok of een nok met een wisselende hoek zonder al te veel moeite, omdat het materiaal zelf meebuigt. Bij een geveldetail waarbij de nok niet helemaal recht doorloopt, of waar de hoek per lengte-meter een beetje afwijkt, is een doek soepeler dan een stalen nokprofiel dat op maat gewalst en gebogen moet worden. Bij ons is dat op te lossen, maar het vraagt een tekening en een maatafspraak vooraf; bij EPDM past de doek zich vanzelf aan.
Daar staat tegenover dat een gekleefde of geballaste doek afhankelijk is van die kleefverbinding of van het gewicht van de ballast, en dat die verbinding na verloop van jaren kan verouderen. Een naad die vandaag goed gelast is, blijft een naad, en een naad is de plek waar een dakbedekking het eerst opgeeft als er iets misgaat met de ondergrond, met vocht onder de doek, of met UV-belasting op de lange termijn. Bij onze banen is er bij de nok geen kleefverbinding en geen las die het moet houden op de lange duur; er is een mechanische klem en een los, overlappend nokstuk. Dat verandert niet waar het op vastzit, wat het risico anders maakt: bij ons zit het risico in een verkeerd gemonteerde klem of een te strak vastgezet nokprofiel dat de uitzetting blokkeert, niet in een verouderende lijmlaag.
Dat verschil in risico werkt door in wat er gebeurt als het toch misgaat. Een lekkage bij EPDM zit meestal bij een naad of bij de rand waar de doek is opgezet tegen een opstand; die plek is te vinden en te herstellen door er een nieuwe laag over te lassen. Een lekkage bij een felsdak op de nok zit vrijwel altijd bij een verkeerd afgewerkt of verkeerd bevestigd nokstuk, en het herstel daarvan is het losnemen en opnieuw plaatsen van dat stuk, niet het aanbrengen van een extra laag. Beide zijn te repareren; de manier waarop verschilt wezenlijk, en dat is iets om mee te nemen als u een dak specificeert waarvan u weet dat onderhoud lastig bereikbaar zal zijn.
Op de bouwplaats zelf is er ook een verschil in volgorde. Bij EPDM wordt de nok vaak in één werkgang meegenomen met de rest van de doek, omdat het één materiaal is dat van de ene kant van het dak naar de andere kant doorloopt. Bij een felsdak legt u eerst de banen op beide dakvlakken, en pas als die liggen en de klemmen zitten, komt het nokstuk erover. Dat is een aparte stap die om een aparte set onderdelen vraagt, en die stap kan niet eerder beginnen dan de laatste baan aan beide kanten van de nok gelegd is. Wie zijn planning strak indeelt, moet met die volgorde rekening houden; iets soortgelijks geldt trouwens ook bij [een gefaseerde oplevering](/bevestiging/nok/gefaseerd), waar de nok pas als laatste dicht kan.
Op een dak met een zeer lage helling, met veel inwendige hoeken, opstanden en doorvoeren rond de nok, is een doek die zich om elke vorm heen laat leggen vaak praktischer dan een stelsel van stalen profielen die allemaal apart aangesloten moeten worden. Ook op daken waar de nok geen rechte lijn is, of waar de kop- en aansluitdetails wisselen over de lengte, is de flexibiliteit van een gekleefde rubberdoek een reëel voordeel. Wie op zo'n dak toch voor stalen felsbanen kiest omdat het aanzicht dat vraagt, moet zich ervan bewust zijn dat elke afwijking in de noklijn een aangepast nokstuk betekent, terwijl dat bij EPDM vanzelf meebuigt.
Andersom is een klikdak op zijn plaats waar de nok recht doorloopt over een aanzienlijke lengte, waar het aanzicht van de gevel of het dakvlak meetelt in de keuze, en waar de eigenaar liever geen kleeflaag heeft die op termijn vervangen moet worden. Op een fabriekshal met een rechte nok van tachtig meter is een doorlopend nokprofiel met klemmen aan beide zijden een voorspelbare oplossing; op een verspringend dak met veel hoeken en doorvoeren is dat meer werk dan het waard is, en dan is EPDM vaak de nuchtere keus.
Welke van de twee bij uw project past, hangt dus af van de vorm van de nok, van wat er verder op het dak staat, en van hoe belangrijk het aanzicht van de bovenkant van het dak is voor de opdrachtgever. Beide oplossingen keren water; ze doen dat alleen op een andere manier, met een andere plek waar het op de lange termijn op aankomt.