Klikzink
Een dakraam op een gevel is in de praktijk vaak geen dakraam meer, maar een groot glasvlak dat in een verticale felsbaan is opgenomen. Het gat in het vlak is groter dan een doorvoer voor een leiding of een ventilatiebuis, en de aansluiting loopt rondom: boven, onder en aan beide zijkanten. Dat verandert hoe wij de klemmen zetten en hoe het water om dat gat heen moet worden geleid, want een gevel laat water niet vanzelf naar één kant afvloeien zoals een dakvlak dat doet.
Op een schuin dak loopt water in één richting, naar de goot, en een dakraam ligt in die stroom. De banen erboven voeren het water langs het raam, en de aansluiting aan de onderkant moet dat water weer opvangen en verder leiden. Op een gevel is die stroomrichting er niet op dezelfde manier. Regen die verticaal langs het vlak loopt, wordt door de wind net zo makkelijk zijwaarts en soms omhoog gedrukt. Een kader rondom het raam dat op een dak aan de onderzijde voldoende zou zijn, is op een gevel aan alle vier de zijden een aandachtspunt. Wij zetten daarom de klemmen rond een gevelkozijn dichter bij elkaar dan wij bij een vergelijkbare opening in een dakvlak zouden doen, juist omdat de wind daar harder aan de rand van het gat trekt.
Bij een horizontaal dak rust het gewicht van een felsbaan voor een groot deel op de ondergrond, en de klem houdt het vlak vooral tegen opwaaien. Op een verticale gevel is dat anders: de baan hangt aan de klem. Het gewicht van de plaat, en van alles wat er aan bevestigd is zoals het kader rond een raam, wordt volledig door de bevestiging gedragen. Dat is op zichzelf geen probleem, onze klemmen zijn daar geschikt voor, maar het betekent dat een verkeerd geplaatste of te ver uit elkaar gezette klem rond een groot gat sneller merkbaar is dan op een dak. Op een dak zakt een baan die te weinig steun krijgt een fractie door en dat merkt u soms pas na jaren. Op een gevel trekt een te zwaar belaste klem meteen aan de fels, en dat zie je als een lichte vervorming rond het kozijn al binnen een paar maanden.
Rond een dakraam in een gevel snijden wij de baan in twee delen: een stuk boven de opening en een stuk onder de opening, met tussenin de doorvoer naar het kader. Beide delen moeten los kunnen bewegen bij temperatuurwisseling, en toch samen het gewicht rond het kozijn dragen zonder dat de klemmen rond de opening overbelast raken. Dat is een ander rekenwerk dan bij een gewone doorvoer, waarbij het merendeel van de plaat nog gewoon doorloopt en het gewicht over een groot oppervlak verdeeld blijft.
Staal zet minder uit dan zink, ongeveer de helft, maar rond een groot gat in een verticale baan is elke beweging voelbaar op een kleiner oppervlak. Een gewone baan van enkele meters breed kan een paar millimeter uitzetten zonder dat je daar iets van merkt aan de rand. Een baan die is onderbroken door een raamopening van bijvoorbeeld een meter breed, heeft aan weerszijden van dat gat een kortere strook plaat over, en die strook moet dezelfde bewegingsruimte krijgen als een ongebroken baan, maar dan verdeeld over minder plaat. Zet u de klem daar te strak, dan staat de fels rond het kozijn onder spanning die nergens heen kan, en dat uit zich als een lichte bolling in de plaat naast het raam, meestal zichtbaar bij felle zoninstraling op de gevel wanneer het materiaal het warmst is.
De volgorde waarin gewerkt wordt, verschilt ook van een dakraam in een schuin dak. Bij een dakvlak wordt het kozijn meestal eerst gesteld en daarna werkt men de banen ertegenaan. Bij een gevel is het raamkader vaak al onderdeel van de gevelconstructie voordat de felsbanen erlangs gaan, en de klemmen die vlak naast het kozijn komen worden dan als eerste gezet, voordat de rest van de baan verder omhoog of omlaag wordt geklikt. Dat lijkt een kleine volgordekwestie, maar wie de klemmen rond het kozijn als laatste zet, moet de al geplaatste baan er weer voor lostrekken, en dat is bij een blinde bevestiging lastiger dan bij een dak omdat je op een verticaal vlak niet met je eigen gewicht op de plaat kunt staan om hem tijdelijk vast te houden.
De meeste problemen rond een dakraam in een gevel ontstaan niet bij het raam zelf, maar in de strook plaat direct daarnaast. Wordt die strook te smal gemaakt, bijvoorbeeld omdat de opening net iets groter is uitgevallen dan getekend, dan is er onvoldoende plaat om een klem goed te laten grijpen. Wij passen de baanbreedte daarom liever aan op de tekening vooraf, in plaats van op de bouwplaats met een reststrook te moeten werken. Omdat onze banen op de millimeter worden afgekort, is dat vooraf uitrekenen te verkiezen boven improviseren met een strook die net te krap is voor de klemafstand die rond een opening nodig is.
Een tweede plek waar het misgaat is de bovenzijde van het kozijn. Op een dak voert het water van boven het raam weg, van het raam af. Op een gevel loopt water ook van boven naar onder, maar bij wind kan het net zo goed langs de zijkant van het kader naar binnen worden gedrukt in plaats van er rustig langs te lopen. De klem net boven het kozijn moet daarom niet alleen het gewicht dragen, maar ook zorgen dat de fels op die plek strak genoeg gesloten blijft om die zijwaartse druk te weerstaan. Een klem die daar te los is gezet omdat de dakdekker gewend is aan de belasting op een dakvlak, geeft op een gevel eerder een lek dan op een dak, juist omdat de wind er harder op inwerkt.
Dit sluit aan bij wat wij beschrijven over de bevestiging van een klikdak op een gevel in het algemeen, zoals wij uitleggen bij [de gevelaansluiting](/bevestiging/gevel/gevelaansluiting), waarbij de aansluiting rondom een opening in feite een verkleinde versie is van de aansluiting van de hele gevelbekleding op de rest van het gebouw. Ook de aanpak rond een schoorsteendoorvoer, zoals te lezen bij [de schoorsteen op een gevel](/bevestiging/gevel/schoorsteen), kent dezelfde logica van klemmen die dichter bij elkaar komen rond een onderbreking in het vlak, al is de belasting daar anders van aard dan bij een raam waar het gewicht van een kader aan hangt.
Wanneer een architect een dakraam in een gevel wil, is het verstandig om de plaats van het kozijn af te stemmen op de te leveren baanbreedte, zodat de klemafstand rond de opening niet ten koste gaat van de rest van het vlak. Wij denken daarin mee op tekening, zonder dat daar kosten aan verbonden zijn, juist omdat een verkeerd ingedeelde baan rond zo'n opening zich pas jaren later laat zien.