Klikzink

De schroef in de ondergrond bij een bestaand bitumendak

Iedere klem die onder onze felsbanen zit, hangt zelf weer aan iets. Meestal is dat een schroef, en die schroef krijgt in de praktijk veel minder aandacht dan de baan die erboven komt te liggen. Terecht of niet, de schroef is het onderdeel dat de hele belasting van het dak naar de ondergrond brengt: windbelasting, het eigen gewicht van de platen, de druk van iemand die er tijdens onderhoud overheen loopt. Bij een bestaand bitumendak komt daar een vraag bovenop die bij nieuwbouw niet speelt: wat zit er eigenlijk onder die bitumenlaag, en houdt dat nog wat vast.

Bij renovatie blijft het oude dak liggen. Dat is meteen het verschil met nieuwbouw, waar de ondergrond bekend is omdat hij net is aangebracht. Op een bestaand dak weet u vaak wel wat er ooit is opgebouwd, maar niet altijd hoe die opbouw er na twintig of dertig jaar nog bij staat. Houten platen kunnen vocht hebben opgenomen via kleine beschadigingen in de bitumen. Een ondergrond van beton is meestal nog solide, maar de bitumen daarop kan bros zijn geworden. De schroef moet door die bovenste laag heen, en dan nog voldoende grip vinden in wat daaronder zit.

Waar de schroef doorheen moet

De klem zelf wordt op een vaste positie op de baan gezet en vervolgens vastgezet met een schroef die door de bitumenlaag gaat. Dat is een doorboring, en de vraag of dat erg is, hangt af van wat er met dat gat gebeurt. Een enkel gaatje in een verder intacte bitumenlaag is op zichzelf geen probleem als het gat volledig wordt opgenomen door de schroef en de klem er goed op aansluit. Het probleem ontstaat pas als er water langs de schroef naar binnen kan lopen, en dat risico is precies waarom de lengte en de kop van de schroef ertoe doen. Een schroef die net te kort is, trekt niet genoeg aan; een kop die niet goed aansluit, laat een randje open waar vocht in kan trekken.

De rekensom die bij deze schroef hoort, gaat niet over de sterkte van de plaat erboven. Die is bij ons materiaal, 0,55 mm verzinkt staal, vrij constant. De rekensom gaat over de ondergrond: hoeveel weerstand biedt die tegen het lostrekken van de schroef, en is die weerstand overal op het dak gelijk. Op een bestaand bitumendak is dat laatste niet vanzelfsprekend. Een plek bij de dakrand die vaker natte voeten heeft gehad, kan zachter zijn dan het midden van het vlak. Wie overal dezelfde schroef gebruikt zonder daar rekening mee te houden, haalt de rekensom onderuit op precies de plekken waar de belasting door windzuiging het grootst is.

Draad, lengte en kop: drie keuzes, drie ondergronden

De schroef die in massief hout gaat, heeft een andere draad nodig dan de schroef die in een houten plaatmateriaal gaat, en beide verschillen weer van wat in beton werkt. Bij hout is de draadsteek gericht op het grijpen van vezels; bij beton werkt de schroef eerder als een pluggend systeem waarbij de wand van het boorgat de houvast geeft. Wie een schroef voor hout in beton draait, of omgekeerd, krijgt een verbinding die op het oog vastzit maar bij een eerste stevige windvlaag al speling vertoont.

De lengte hangt af van de dikte van wat er nog aan draagkracht over is onder de bitumen. Bij een dakplaat van bijvoorbeeld 18 mm dik, die na jaren nog volledig intact is, is een kortere schroef voldoende dan bij een plaat die door vochtopname zachter is geworden en waar de schroef dieper moet om nog genoeg grip te vinden. Dat is meteen de reden waarom een vaste lengte voor heel het dak zelden de juiste keuze is. Op een schuine kap die aan één zijde meer zon en aan de andere zijde meer schaduw en dus meer vocht heeft gehad, kan de ondergrond letterlijk aan twee kanten van hetzelfde dak verschillend zijn.

De kop van de schroef bepaalt hoe de klem eraan vastzit en hoe strak dat gebeurt. Een te grove kop drukt de klem plaatselijk in, een te fijne kop trekt niet ver genoeg aan om de klem echt vast te zetten. Bij twijfel is het testen van een paar schroeven op een niet-zichtbare plek van het dak zinniger dan uitgaan van wat op een ander project werkte, want wat onder de bitumen zit, verschilt van dak tot dak, ook binnen hetzelfde bouwjaar.

Wanneer wat eronder zit niet meer draagt

Er zijn situaties waarin de schroef niet het probleem is, maar de ondergrond. Als de houten platen onder de bitumen zijn gaan rotten, of als de dakopbouw op meerdere plekken duidelijk verzakt of week aanvoelt, dan helpt geen enkele schroeflengte. De schroef kan alleen doorgeven wat de ondergrond aankan, niet meer dan dat. In dat geval is het beter eerst uit te zoeken hoever de schade reikt, en soms is vervanging van een deel van de dakopbouw onvermijdelijk voordat er een nieuwe bevestiging op komt. Dat is dan geen vraag over de schroef, maar over de staat van het dak zelf, en dat raakt aan de bredere afweging die wij maken bij elke renovatie op een bestaand bitumendak, zoals wij uitleggen bij [een klikdak op een bestaand bitumendak](/bevestiging/bestaand-bitumendak).

Ook bij overgangen op het dak is de ondergrond vaak anders dan in het vlak. Bij een dakdoorvoer of bij de aansluiting op een schoorsteen is er vaak extra opbouw aangebracht, met loodslabben, extra bitumenlagen of een verhoogde rand. De schroef die daar gebruikt wordt, gaat door een andere laagopbouw dan de schroef in het open vlak, en dat is precies waarom wij die overgangen apart behandelen, zoals bij [de bevestiging rond een dakdoorvoer](/bevestiging/bestaand-bitumendak/dakdoorvoer). Aan de rand van het dak geldt hetzelfde: bij de goot of bij het boeiboord is de ondergrond vaak dunner of juist verstevigd, en de schroef die daar goed werkt, is niet automatisch dezelfde als die in het midden van het dakvlak is gebruikt.

Wat de doorboring wel en niet oplost

Onze banen worden blind bevestigd: er gaat geen schroef door de zichtbare plaat, alleen door de klem die eronder zit. Dat scheelt zichtbare gaten in het felsdak zelf, maar het verandert niets aan het feit dat er onder elke klem een schroef zit die de ondergrond raakt. Een dak zonder doorboringen in de bovenste plaat heeft dus niet per definitie minder doorboringen in totaal; het aantal schroeven in de ondergrond hangt af van het aantal klemmen, en dat aantal wordt bepaald door de vereiste bevestigingsdichtheid, niet door het ontbreken van schroeven in de plaat.

De zwakke plek bij een dak zonder doorboringen in de plaat ligt dus niet bij het zicht op het dak, maar bij die schroeven in de ondergrond die je niet meer ziet zodra de banen liggen. Een schroef die na tien jaar los begint te komen, valt niet op tot er een klem gaat spelen, en dat merkt u pas als het dak al een tijd ligt. Daarom is de keuze van de schroef bij aanvang belangrijker dan bij een dak waar je achteraf nog een extra bevestigingspunt kunt bijplaatsen zonder de bovenlaag open te maken.

Op een bestaand bitumendak betekent dit dat de schroefkeuze niet los kan staan van een inspectie van wat er onder die bitumen zit. Wij denken daarin mee op basis van de tekening en de opgave van de bestaande opbouw, kosteloos, en leveren de banen op maat zodra duidelijk is welke ondergrond u daadwerkelijk heeft.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink