Klikzink
Een dakkapel is voor de bevestiging een ander geval dan een rechte aansluiting. Waar een schoorsteen of een dakraam één omtrek heeft, heeft een dakkapel een voorvlak, twee zijvlakken die vaak onder een andere hoek staan, en een dakvlak dat er meteen om de kapel heen doorloopt. Er zijn dus minstens vier aansluitingen die tegelijk kloppen moeten: links, rechts, boven de kapel op het hoofddak en onder de kapel bij de voet. En omdat de kapel een blok in het dakvlak zet, moeten de banen eromheen worden ingedeeld voordat er één klem geplaatst wordt.
Op een bestaand bitumendak komt daar de vraag bij die bij renovatie altijd terugkeert: het oude dak blijft liggen, dus wat gebeurt er met de bitumenlaag op de plek waar de klem doorheen moet, en draagt de ondergrond eronder dat nog.
Onze banen worden blind bevestigd. De klem zit onder de fels, er gaat geen schroef door de zichtbare plaat. Maar de klem zelf moet wel ergens in verankerd worden, en op een bestaand bitumendak is die verankering het punt waar renovatie afwijkt van nieuwbouw. Bij nieuwbouw ligt er een dakbeschot dat voor dit doel is neergelegd. Bij een bestaand bitumendak ligt er een houten of soms een stalen ondergrond die al jaren dienst doet, met daarop de bitumen die er nu ligt.
De klem gaat door die bitumenlaag heen, naar het beschot of de dragende plaat eronder. Dat is onvermijdelijk: een klik-bevestiging kan niet zweven op een laag bitumen, die geeft mee en houdt geen schroef vast. De doorboring zelf is geen probleem als de laag daaronder er nog voor staat. Het wordt een probleem op plekken waar het bitumen al vochtig hout afdekt, of waar het beschot bij eerdere reparaties is aangetast. Dan zit de klem in iets dat er verzwakt uitziet, en dat is precies de plek rond een dakkapel waar dat het vaakst voorkomt, omdat daar van oudsher de meeste kieren en lekkages zaten.
De voet van de kapel is daarbij een aandachtspunt apart, met een eigen opbouw die we uitwerken bij [de aansluiting op de dakvoet](/bevestiging/bestaand-bitumendak/dakvoet). Bij een dakkapel raakt die voet niet aan de gevel maar aan het dakvlak zelf, en de bevestiging moet daar de overgang van het kapelvlak naar het hoofddak dichthouden zonder dat er een zwak punt in de klemrij ontstaat.
Op een gewoon dakvlak leggen we de eerste baan uit en werken door tot de rand. Bij een dakkapel is dat niet mogelijk, want het vlak wordt onderbroken. De indeling begint daarom bij de kapel zelf: eerst wordt bepaald hoe de banen langs de zijkanten van de kapel gaan lopen, en pas dan wordt teruggerekend naar de rest van het dakvlak. Wie andersom werkt, van de nok naar de kapel toe zonder rekening te houden met waar de kapel eindigt, loopt het risico dat de laatste baan vlak voor de kapel een smalle reststrook wordt die niet meer goed te klikken is.
De klemmen rond de kapel staan dichter bij elkaar dan op een vlak zonder onderbreking. Dat komt niet doordat de klem daar anders werkt, maar doordat de baan er korter is en de aansluitdetails, het opkanten tegen het zijvlak, het insnijden bij de hoek, extra grip nodig hebben om niet te gaan werken bij temperatuurwisseling. Een baan die maar een halve meter lang is tussen twee aansluitingen in, zet nauwelijks uit, maar de klemmen aan de uiteinden dragen wel het volle gewicht van de aansluiting erboven.
De hoek tussen het dakvlak en het zijvlak van de kapel is in feite een kleine hoekkeper, en de manier waarop banen daar in elkaar grijpen lijkt op wat we beschrijven bij [de aansluiting op de hoekkeper](/bevestiging/bestaand-bitumendak/hoekkeper). Het verschil is de schaal: bij een dakkapel is die hoek maar een paar strekkende meters lang, en staat hij vaak onder een scherpere hoek dan een reguliere kilgoot of hoekkeper in het hoofddak.
Bij een rechte aansluiting op een bestaand bitumendak is er meestal één type ondergrond aan te wijzen: hout, beton of een stalen dek, over de volle lengte van de aansluiting. Bij een dakkapel is dat lang niet altijd zo. De kapel is op een gegeven moment in het dak gezet, vaak los van de oorspronkelijke dakconstructie, en de aansluiting van de kapel op het hoofddak bestaat daardoor soms uit een andere houtsoort, een andere plaatdikte, of een opbouw die haastiger is uitgevoerd dan de rest van het dak. Dat is niet altijd van buiten te zien, de bitumen ligt er overal hetzelfde bij.
Het gevolg is dat een aannemer die de klemmen bij een dakkapel plaatst, van geval tot geval moet vaststellen of de ondergrond de schroef nog vasthoudt, in plaats van dat aan te nemen op basis van de rest van het dak. Wij denken daarin mee op tekening, zonder dat daar kosten aan hangen, maar de conditie van het hout onder de bitumen kunnen wij niet vanaf tekening beoordelen. Dat is iets wat op de bouw zelf moet worden vastgesteld, met een priem of een boor, voordat de eerste klem gezet wordt.
De meest voorkomende fout bij een dakkapel is dat de banen op het hoofddak worden gelegd zonder dat vooraf is vastgesteld waar de kapel precies uitkomt op de baanindeling. Dan blijkt bij het bereiken van de kapel dat de laatste hele baan net niet aansluit, en moet er een strook worden bijgezet die te smal is om zijn eigen klemmen goed te dragen. Die smalle strook is vervolgens de plek waar bij uitzetting spanning ontstaat, omdat de klem daar minder speling heeft dan op een volle baan.
De tweede fout is dat de klem bij de zijkant van de kapel in slecht hout terechtkomt. Dat gebeurt niet doordat de klem het begeeft, klemmen onder een fels zijn niet het zwakke punt van dit systeem, maar doordat de ondergrond eronder na een paar jaar meegeeft. Op een plat vlak valt dat soms nog mee, bij een kapelaansluiting met vier hoeken en veel wind uit alle richtingen wordt een meegevende klem eerder een lek dan op een rustig, ongebroken dakvlak.
De derde fout, die we vaker zien bij renovatie dan bij nieuwbouw, is dat de bitumen rond de kapel wordt beschouwd als voldoende afdichting op zichzelf, en dat de nieuwe felsbanen daar los boven op worden gelegd zonder dat de klem echt in de dragende laag grijpt. Dat geeft in het begin een dicht dak, maar de bevestiging hangt dan aan een laag die niet gemaakt is om iets te dragen. Bij een dakkapel, met zijn vier aansluitingen en zijn geconcentreerde windbelasting op de hoeken, is dat een risico dat pas na een storm of twee zichtbaar wordt.