Klikzink
De dakvoet is de rand waar het dakvlak stopt en het water het dak verlaat, naar de goot of naar een overstek. Het is ook de rand waar de wind het felsdak het hardst beetpakt. Bij opwaartse windbelasting staat de onderste klemrij als eerste onder trek, en die rij moet dus op iets zitten dat die trek kan opvangen. Op bestaande dakpannen is dat niet vanzelfsprekend, en daar gaat deze pagina over: niet over hoe de rand er straks uitziet, maar over waar de eerste klem in vastgemaakt wordt en wat er misgaat als dat de verkeerde ondergrond is.
Bij een bestaand pannendak is de vraag bij de dakvoet niet anders dan bij de rest van het dak, alleen scherper: leggen we de nieuwe felsbanen op de panlatten met het beschot erachter, of moeten de pannen om een andere reden blijven zitten. Wij leggen niet over de pannen heen. Een pan is een los liggend, hard en ongelijk element; de klem onder onze fels heeft een vlakke, vaste ondergrond nodig om zijn trekkracht door te geven, en die krijgt hij niet van een pan die zelf nog een beetje kan bewegen. Dus gaan bij een omzetting naar felsbanen de pannen eraf, over de volledige lengte van het dakvlak, en blijft over wat daaronder zit: panlatten, tengels eventueel, en het dakbeschot.
Dat is meteen het verschil met een aantal andere randdetails op dit dak. Bij de nok, bijvoorbeeld, gaat het vooral om de overgang van twee dakvlakken en de klem die daar de twee zijden aan elkaar knoopt, zoals wij uitleggen bij [de aansluiting op de nok](/bevestiging/bestaande-dakpannen/nok). Bij de dakvoet gaat het om een rand die aan één kant gewoon doorloopt in het dakvlak, en aan de andere kant ophoudt bij de gootlijn of het overstek. De klem hier zit dus niet tussen twee vlakken, maar aan het uiteinde van één vlak, en dat uiteinde is precies de plek waar de windkracht het meeste grip krijgt.
Zodra de pannen weg zijn, ligt het beschot bloot, of wat daarvoor doorgaat: bij oudere daken is dat regelmatig een open panlattenstructuur zonder aaneengesloten ondergrond, bij nieuwere daken vaker een dichte plaat. Voor de dakvoet is dat verschil van belang, want de onderste klemrij moet ergens massief op kunnen steunen. Bij een open lattenstructuur betekent dat vaak dat er ter plaatse van de dakvoet een extra strook beschot of een aangepaste regel wordt aangebracht, precies onder de rand waar de eerste klemmen komen. Zonder die massieve onderlegger zit de klem op een lat die tussen de spanten door kan meegeven, en dat is nu net de plek waar je dat niet wil.
Een voorbeeld uit de praktijk: bij een jaren-zeventig woning met panlatten op 32 centimeter en verder niets erachter, bleek bij het verwijderen van de pannen dat het dakbeschot ontbrak. De aannemer had de neiging om de felsbanen gewoon op de bestaande latten te schroeven, klem voor klem, omdat dat sneller ging. Bij de dakvoet is dat riskant: de eerste klemrij trekt precies op de plek waar de lat het minst gesteund wordt, tussen twee spanten. Daar is alsnog een strook plaatmateriaal aangebracht, aansluitend op de bestaande panlatten, zodat de klem over de volle breedte op iets vasts steunt in plaats van op een lat die op zijn dunste punt moet werken.
Hoger op het dakvlak, bijvoorbeeld bij een doorvoer of bij het dakraam, wordt de klem vooral belast door de eigen uitzetting van de plaat en door lokale windwervelingen rond het obstakel, zoals bij [het dakraam op bestaande dakpannen](/bevestiging/bestaande-dakpannen/dakraam). Bij de dakvoet is de belasting anders van aard: hier werkt de volle lengte van het dakvlak als een soort hefboom op de onderste rand. Bij windzuiging aan de rand van een dak, wat bij vrijstaande hoeken en lage dakhellingen het scherpst optreedt, wil de plaat aan de onderkant als eerste omhoog. De klemmen die daar zitten, moeten die kracht doorgeven aan een ondergrond die zelf niet meegeeft. Vandaar dat wij bij dit detail extra kijken naar de tussenafstand tussen die eerste twee of drie klemrijen: soms wordt die verkleind ten opzichte van de rest van het dakvlak, precies om die extra trek te verdelen over meer bevestigingspunten.
De volgorde waarin gewerkt wordt speelt hier ook mee. Bij een normaal dakvlak leggen we van onder naar boven, zodat elke volgende baan over de vorige heen valt en het water altijd over een fels naar beneden loopt in plaats van ertegenaan. Bij de dakvoet betekent dat dat de allereerste rij klemmen de rij is die het meest bepalend is voor hoe de rest van het dak vastligt. Een verkeerd geplaatste of te ver uit elkaar staande eerste rij werkt door in de hele legrichting daarboven. Daarom wordt bij dit detail vaak wat meer tijd genomen voor het uitlijnen van die eerste rij dan voor de rijen die daarna volgen; die laatste liggen in een tempo dat op een goede dag aardig kan oplopen, maar de dakvoet zelf is geen rij om doorheen te jagen.
De meest voorkomende fout is niet de klem zelf, maar de ondergrond ervoor: klemmen die op een lat zitten die te dun is, te ver overspant, of half verrot bleek te zijn zodra de oude pannen eraf gingen. Dat zie je pas op het moment dat de pannen weg zijn, en dat is ook het moment om het te herstellen, niet later. Een tweede fout is een dakvoet die te strak wordt vastgezet zonder rekening te houden met de uitzetting van de plaat overdag. Staal zet ongeveer half zoveel uit als zink, maar het zet wel uit, en bij de dakvoet, waar de baan als het ware vastgeklemd wordt aan zijn onderkant, moet de rest van de baan naar boven toe die beweging nog kunnen maken. Een klem die te star is ingesteld op deze rand geeft die ruimte niet, en dat leidt tot spanning die zich hogerop in het vlak ontlaadt, vaak als een lichte golving die je pas na een paar seizoenen ziet.
Een derde fout hangt samen met de aansluiting op het overstek of de gootlijn zelf. Bij bestaande daken zit de gootrand er al, en de nieuwe felsbanen moeten daar precies op aansluiten zonder dat het water onder de rand door kan lopen. Dat is een detail dat qua uitvoering dichter bij de goot ligt dan bij de bevestiging van de klem, zoals wij bespreken bij [de goot op bestaande dakpannen](/bevestiging/bestaande-dakpannen/goot), maar de eerste klemrij van de dakvoet moet daar wel op afgestemd zijn: te ver naar voren geplaatst, en de klem hangt half in de lucht boven de gootrand; te ver naar achteren, en het water krijgt de kans om onder de rand te trekken.
Op een bestaand pannendak is de dakvoet dus niet het eerste detail dat je aanpakt omdat het makkelijk is, maar omdat het bepaalt hoe de rest van het legwerk verloopt. Voor een aannemer betekent dit dat de inspectie van het beschot en de panlatten ter plaatse van de onderste rand niet iets is dat je overslaat omdat de rest van het dak er goed bij ligt: juist deze rand draagt de meeste kracht. Wij denken vooraf mee op tekening, kosteloos, en kunnen op basis van een foto van de blootgelegde onderconstructie al aangeven of de bestaande ondergrond voldoende is voor de eerste klemrij, of dat er lokaal een extra laag nodig is voordat de eerste felsbaan erop kan.