Klikzink
Bij een klikdak gaat er geen schroef door de plaat. De banen worden vastgezet met klemmen die onder de fels grijpen en die klemmen worden op hun beurt bevestigd op de ondergrond. Op een nieuw dak is die ondergrond meestal een aan te brengen ondersteuningsconstructie van houten regels of platen, aangebracht op de gewenste hoogte en met de gewenste tussenafstand. Bij renovatie op een bestaand bitumendak ligt die vraag anders, want daar is al een dakopbouw en de vraag is wat daarvan blijft, wat erbovenop komt en waar de klem straks in vastzit.
De klem die onder de fels zit, wordt niet rechtstreeks in het bitumen gezet. Bitumen is geen draagkrachtige laag om iets in te verankeren; het is een waterkerende laag, geen constructieve. Voordat de klemmen geplaatst worden, komt er dus een tussenlaag die wel draagkracht heeft en waarin de klem, of het regelwerk waar de klem op staat, houvast vindt. Dat is meteen het verschil met wat er op andere ondergronden speelt: hier gaat het niet alleen om de vraag waar de klem in landt, maar ook om de vraag of de laag onder het bitumen, dus de oorspronkelijke dakconstructie, die belasting nog aankan.
In de praktijk betekent dit meestal een van twee routes. De eerste is een regelwerk dat door het bestaande bitumen heen in de onderliggende dakplaat of dakconstructie wordt bevestigd, met daarop de klikbanen. De tweede is een volledig nieuwe, losliggende drager boven op het oude dak, bijvoorbeeld een houten beplating op steunen of een systeem dat het gewicht verdeelt zonder overal doorheen te gaan. Welke van de twee gekozen wordt, hangt af van de staat van de bestaande constructie en van de vraag of extra doorboringen daar acceptabel zijn. Dat laatste is precies waar dit anders ligt dan bij een nieuw dak: hier is elke doorboring een keuze met een gevolg, niet een standaardhandeling.
Een bestaand bitumendak doorboren om een regel vast te zetten, is op zichzelf niet ongewoon; het gebeurt ook bij andere renovaties. Maar bij een klikdak komt er, afhankelijk van de baanbreedte en de tussenafstand van de klemmen, een regelmatig patroon van bevestigingspunten. Dat is geen enkele doorboring hier en daar, het is een raster over het hele dakvlak. Elk van die punten is in theorie een plek waar water een weg naar binnen kan vinden als de afdichting rond die doorboring niet goed is uitgevoerd.
De manier om dat te beheersen is niet anders dan bij losse doorvoeren: rond elke bevestiging komt een afdichting die de doorboring weer waterdicht maakt, vaak in de vorm van een speciale kraag of een zorgvuldig aangebrachte laag bitumen of kit rond de schroef of pen. Bij een enkele doorvoer is dat een kleine klus. Bij een heel dakvlak met een raster aan bevestigingspunten is het een klus die je niet even doet, maar die wel het verschil maakt tussen een dak dat droog blijft en een dak met tientallen potentiële zwakke plekken. Een aannemer die hier onderschat hoeveel werk dit is, merkt dat niet bij de oplevering, maar jaren later bij de eerste lekkage die niet te herleiden is tot één duidelijke oorzaak.
De tweede vraag is of de bestaande dakconstructie de extra belasting aankan. Een klikdak van stalen felsbanen weegt ongeveer 5 kilo per vierkante meter, wat op zichzelf niet zwaar is. Maar daar komt de tussenlaag bij: het regelwerk of de nieuwe drager, en eventueel isolatie die tegelijk wordt aangebracht. Bij een dak dat oorspronkelijk alleen bitumen droeg en verder niets, is dat een reële toevoeging aan het gewicht dat op de dakplaten en de spanten rust.
Een concreet voorbeeld: een schuur met een bitumendak op houten dakplaten die dertig jaar geleden precies berekend zijn op het gewicht van bitumen plus een verwachte sneeuwbelasting. Als daar een regelwerk, isolatie en een stalen felsdak bovenop komen, is de vraag niet of het geheel er esthetisch mooi bijstaat, maar of de spanten en de dakplaten die extra last dragen zonder doorzakking. Dat is geen vraag die de klikbanen zelf beantwoorden; dat is een vraag over de staat van de onderliggende constructie, die vooraf beoordeeld moet worden voordat er iets op gemonteerd wordt. Bij twijfel is een doorrekening door een constructeur eerder aan de orde dan bij een nieuw dak, waar de constructie vaak al op de uiteindelijke opbouw is berekend.
Op een nieuw dak wordt de ondersteuning voor de klemmen in één keer goed aangebracht, op de juiste hoogte, met de juiste tussenafstand, zonder dat er iets weg te werken is. Bij renovatie op bestaand bitumen speelt een oude, soms ongelijke ondergrond mee. Bitumendaken die dertig jaar hebben gelegen, zijn zelden nog helemaal vlak; er zitten plassen geweest, er is bitumen bijgeplakt, er liggen oude doorvoeren die niet meer gebruikt worden. Een regelwerk daarop precies waterpas en vlak krijgen, kost meer denk- en meetwerk dan op een kale nieuwe dakplaat.
Daarnaast is er de vraag naar wat er met het oude bitumen gebeurt als het blijft liggen. Bitumen dat vochtig is geworden onder een oude blaas of scheur, blijft na renovatie onder de nieuwe opbouw zitten. Dat vocht verdwijnt niet omdat er een nieuw dak overheen komt; het blijft gevangen tussen de oude en de nieuwe laag. Bij de keuze om het bitumen te laten liggen in plaats van het te verwijderen, is dit een reëel nadeel dat er bij een geheel nieuw dak niet is. Wie twijfelt over de staat van het bitumen, kan er dus voor kiezen om het alsnog te verwijderen voordat de nieuwe opbouw start, ook al is dat meer werk vooraf.
Daarmee is het niet allemaal nadeel. Het bestaande bitumendak, als het droog en vlak genoeg is, kan dienen als extra waterkerende laag onder de nieuwe opbouw, een soort noodvoorziening voor het geval er ooit iets misgaat met de afdichting rond een bevestigingspunt. Dat is een laag die een nieuw dak niet automatisch heeft. Het is geen reden om slordiger om te gaan met de afdichtingen rond de doorboringen, maar het is wel een gegeven dat meespeelt bij de afweging om het oude dak te laten liggen in plaats van het volledig te verwijderen.
Omdat de beoordeling van de bestaande constructie en de keuze voor de manier van bevestigen vooraf moeten gebeuren, is dit een van de ondergronden waar meer tijd in de voorbereiding gaat zitten dan in de aanleg zelf. Op een dak waar de ondergrond eenmaal vaststaat, gaat het leggen van de klikbanen net zo snel als op een nieuw dak: de klemmen komen op de vaste tussenafstand, de banen klikken erover, en er is geen wachten op weersomstandigheden zoals bij een gesoldeerd dak. Maar die snelheid geldt pas vanaf het moment dat de regels of de drager goed en waterdicht op het bestaande dak staan. Wie dat traject onderschat en te snel naar de banen zelf toe wil, loopt het risico dat juist het deel dat je niet ziet, de bevestiging onder de plaat, niet goed is uitgevoerd.