Klikzink

Overgang naar een plat dak bij een felsdak

Een felsdak loopt bijna nooit helemaal door tot aan de grond of tot aan een gevel. Op een gegeven moment houdt de helling op en gaat het dak over in een plat vlak: een dakkapel die uitkomt op een plat stuk, een aanbouw onder een hoofddak, of een verzameld deel waar meerdere hellingen samenkomen boven een platte bak. Op die plek raken twee systemen elkaar die vaak niets met elkaar te maken hebben. Ons felsdak is een metalen bekleding die water snel afvoert langs de helling. Het platte dak daaronder of daarnaast is meestal een dakbedekking van bitumen, EPDM of PVC, die het water traag afvoert via een afschot van een paar procent. Die twee moeten op de overgang wel degelijk met elkaar samenwerken, want het water dat van de fels afkomt moet zonder omwegen het platte systeem op kunnen, en niet ergens onderweg een weg naar binnen vinden.

Bij de bevestiging van het felsdak zelf speelt dit punt eigenlijk niet mee: onze banen klikken over klemmen die onder de fels liggen, zonder dat er een schroef door de plaat gaat. Dat blijft ook bij deze overgang zo. Maar de rand van het felsdak, daar waar de laatste baan stopt, is een andere bevestiging dan het midden van het vlak. Daar houdt de klik op en moet de plaat mechanisch worden afgewerkt tegen een aansluitprofiel, een opstand of een goot. Dat is het punt waar de meeste discussie ontstaat tussen dakdekkers metaal en dakdekkers bitumen of kunststof: wie is verantwoordelijk voor welk deel van de overlap.

Het gaat dus niet om de vraag of het felsdak zelf goed vastzit, dat is elders op deze site uitgewerkt, maar om de vraag hoe de rand van dat systeem het water overdraagt aan het platte systeem ernaast, zonder dat er een naad ontstaat waar wind, sneeuw of opstuivend water tussen kan komen.

Welke vormen van overgang er zijn

In de praktijk komt deze overgang in een paar hoofdvormen voor, en die hoofdvorm bepaalt hoe wij de rand van het felsdak detailleren. De eerste is de kop van het hellende vlak die uitkomt op een horizontale goot of daktrim boven het platte dak: hier stopt de fels boven een metalen daktrimprofiel dat wij meeleveren of laten aansluiten op de bouwkundige goot. De tweede is de zijkant van het hellende vlak die langs een opstaand randje van het platte dak loopt, waarbij het felsdak als het ware een muurtje raakt en er een verticale aansluiting nodig is die meer op een gevelaansluiting lijkt dan op een gootaansluiting. De derde vorm, die in de praktijk het meest voor discussie zorgt, is een inwendige hoek waarbij twee hellende vlakken samenkomen boven een plat stuk: daar moet het water van twee kanten naar één punt, en dat vraagt om een geleidingsprofiel dat het water bundelt voordat het het platte dak op gaat.

Elke vorm vraagt een andere volgorde op de bouw. Bij de horizontale kop kan de daktrim al liggen voordat de eerste felsbaan wordt gelegd, waarna de banen van boven naar beneden aansluiten op dat vaste punt. Bij de verticale aansluiting werkt het net andersom: het felsdak wordt eerst afgewerkt tot aan de rand, en het platte systeem wordt daarna tegen die rand aangewerkt, met een opstand die hoog genoeg is om de gebruikelijke belasting van sneeuw en regen op te vangen. Wie dit omdraait, ziet later een naad ontstaan die net niet aansluit, en dat repareer je niet meer met een likje kit.

Wat er misgaat als dit niet klopt

De overgang naar een plat dak is een van de weinige plekken waar een klikdak een zwakte kan krijgen die niets met de klikverbinding zelf te maken heeft. De fels en de klem houden het water op het hellende vlak keurig tegen, maar aan de rand van het vlak eindigt die bescherming en begint een aansluitdetail dat door twee vakgebieden samen gemaakt wordt. Een veelgemaakte fout is dat de dakdekker metaal de rand van de laatste baan afkort zonder rekening te houden met de opstand die de dakdekker bitumen nodig heeft om zijn baan omhoog te trekken. Dan blijkt achteraf dat de opstand te laag is, of dat het aansluitprofiel niet diep genoeg onder de felsbaan doorloopt om het water werkelijk over te dragen in plaats van ertussen te laten druppelen.

Een andere veelgemaakte fout is dat er op deze plek wél door de plaat heen wordt geschroefd, om het aansluitprofiel mechanisch vast te zetten, terwijl de rest van het dak blind bevestigd is. Dat hoeft geen probleem te zijn als het bewust en zichtbaar gebeurt op een plek waar het profiel toch al overlapt en afgedicht wordt, maar het moet niet sluipenderwijs de gewoonte worden om elke lastige rand maar dicht te schroeven. De reden dat een klikdak op de vlakke delen weinig lekt, is nu juist dat er geen doorboringen in het midden van de plaat zitten. Aan de rand, waar het aansluitprofiel wél bevestigd moet worden, verplaatst het aandachtspunt zich van het felsvlak naar de kwaliteit van die ene rand.

Uitzetting is hier ook een ander verhaal dan in het midden van het dak. Op een groot vlak lossen wij lengteverandering op binnen de klikverbinding zelf, met ruimte in de klem die de plaat laat bewegen zonder dat de fels openscheurt. Aan de overgang naar het platte dak ligt de laatste baan echter vast tegen een star aansluitprofiel. Bij een kort stuk hellend dak, zeg tot een paar meter, is dat nauwelijks een punt. Bij een langer hellend vlak dat uitkomt op een plat dak, moet er in het aansluitdetail zelf ruimte voor beweging zitten, anders drukt de plaat zich op termijn los van het profiel of vervormt de rand net genoeg om een kier te laten ontstaan.

Waar u verder kunt lezen per situatie

Deze overgang gedraagt zich anders naarmate de omstandigheden veranderen, en om deze pagina overzichtelijk te houden werken wij die varianten apart uit. Aan de kust speelt de aansluiting anders dan in het binnenland, met meer aandacht voor windbelasting op de rand en voor zout dat in een kier kan kruipen; dat leest u uitgebreider zoals wij toelichten bij [de overgang naar een plat dak aan de kust](/bevestiging/overgang-plat-dak/aan-de-kust). Bij een dakhelling die maar net boven het minimum ligt, verandert de snelheid waarmee water de rand bereikt, en dat vraagt een andere maat aansluitprofiel dan bij een steil dak; dat verschil werken wij uit zoals wij beschrijven bij [de overgang naar een plat dak op een flauwe helling](/bevestiging/overgang-plat-dak/flauwe-helling) en bij de tegenhanger op een steil dak.

Ook de bouwvolgorde maakt verschil. Bij een groot open dakvlak dat in één keer wordt gelegd, ligt de daktrim er meestal al voordat de eerste baan valt, terwijl bij een gefaseerde oplevering de platte delen soms pas weken later worden aangesloten en het felsdak tijdelijk zelf de rand moet afdichten. Ook bij renovatie in bewoonde staat, bij winterwerk, of bij een monument, gelden voor dit detail net iets andere volgordes en materiaalkeuzes dan bij nieuwbouw op een leeg terrein, en die situaties beschrijven wij elk op hun eigen pagina.

Wat wij hier op deze pagina willen meegeven, is vooral het principe: de klikverbinding van het felsdak zelf is niet het aandachtspunt bij deze overgang, dat aandachtspunt ligt in de overdracht van water tussen twee systemen die door verschillende vakmensen worden gelegd. Wie op tekening al vastlegt wie welk deel van het aansluitprofiel levert en bevestigt, en wie rekening houdt met de bewegingsruimte die een lange felsbaan nodig heeft, voorkomt het meeste van wat hier op termijn misgaat. Neemt u deze overgang mee in het ontwerp, dan denken wij op tekening mee over de juiste aansluitmaten, zonder dat dat iets kost.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink