Klikzink
Houtwolcementplaat komt veel voor bij scholen, gymzalen en bedrijfshallen uit de jaren zestig en zeventig. De plaat is dik, oogt massief en houdt makkelijk twintig meter overspanning. Wie er met een schroef in gaat, merkt vaak iets anders dan wat de plaat laat vermoeden. Het materiaal is een mengsel van houtwol en cement, poreus van opbouw, en dat bepaalt wat er na twintig jaar overblijft van een bevestiging die erop rust.
Bij onze banen gaat er geen schroef door de zinklook plaat. De fels klikt over een klem, en die klem wordt met een schroef in de ondergrond vastgezet. Op houtwolcementplaat is dat meestal niet de plaat zelf, maar de gording of de sporenkap erachter, met de klem en de plaat als tussenlaag. Dat onderscheid is de kern van wat er op deze ondergrond na twintig jaar anders uitpakt dan op een dichte plaatvloer of op beton.
Er zijn in de praktijk drie plekken waar iets verandert in twintig jaar. De eerste is de coating van de klem zelf, of van het schroefje dat erdoorheen gaat. Die coating is bedoeld om vocht buiten te houden bij de kop van de schroef, op de plek waar hij het metaal doorboort. Bij een goed uitgevoerde klik blijft die plek droog, want het regenwater loopt over de fels af en komt niet bij de klem. Op houtwolcementplaat is dat niet anders dan op een dichte ondergrond; het is de bovenkant van het dak die het verschil maakt, niet wat erachter zit.
De tweede plek is de schroef in de ondergrond zelf, en daar wordt het op houtwolcementplaat wel anders. Cement bindt wel, maar houtwol niet, en het mengsel houdt een schroefdraad minder strak vast dan massief hout of staal. Na twintig jaar van uitzetten en krimpen, met name bij de overgang van winter naar zomer, kan een schroef die in de plaat zelf zit iets losser komen te zitten dan hij begon. Dat is de reden dat wij op deze ondergrond altijd doorschroeven tot in de gording erachter: niet omdat de plaat het per definitie loslaat, maar omdat twintig jaar bewegen een marginale bevestiging eerder blootlegt dan een ruime.
De derde plek is de klik zelf, tussen de klem en de fels. Onze platen zetten ongeveer half zoveel uit als zink, en die beweging moet ergens heen. In de klem is daar ruimte voor; de baan glijdt een fractie mee bij warmte en krimpt weer terug bij kou. Na twintig jaar van dat op en neer is er aan de klik zelf weinig te zien, want dat is precies waarvoor het systeem ontworpen is. Het is de bevestiging van de klem aan de ondergrond die het meeste te verduren krijgt, niet de klik tussen klem en baan.
Op een dichte plaatvloer, op beton of op een houten dakbeschot is de vraag waar de schroef in gaat minder spannend: het materiaal houdt de trekkracht vast zoals verwacht. Bij houtwolcementplaat is dat niet zo vanzelfsprekend, en dat is precies waarom wij deze ondergrond apart behandelen zoals wij uitleggen bij [een klikdak op houtwolcementplaat](/bevestiging/houtwolcementplaat). Een schroef die alleen in de plaat zit, houdt het misschien tien jaar, misschien twintig, maar de marge is kleiner dan bij een massieve ondergrond en dat zie je pas als het te laat is: bij een schroef die loskomt, merk je dat niet aan de bovenkant van het dak, maar aan een klem die begint te speuren onder wind.
Om die reden raden wij op oudere houtwolcementplaat aan om vooraf te laten vaststellen waar de gordingen precies liggen, en om daar consequent op door te schroeven. Bij een school uit 1968 die wij als voorbeeld kennen, lag de sporenkap op een regelmatige maat van 600 millimeter, en dat gaf op elk punt van het dak een vaste, harde ondergrond om in te schroeven. Bij een oudere hal, waar de kap in de loop der jaren is bijgetimmerd en niet meer overal even regelmatig ligt, moet dat per rij worden uitgezocht. Dat kost meer tijd bij de start van het werk, maar het is de plek waar twintig jaar later het verschil zit tussen een dak dat stil blijft liggen en een dak dat begint te klapperen.
Houtwolcementplaat neemt vocht op als het er lang op blijft staan, en dat is een van de redenen dat wij aandacht besteden aan de manier waarop water van het dak wordt afgevoerd, zoals te lezen bij [de goot op houtwolcementplaat](/bevestiging/houtwolcementplaat/goot). Bij de bevestiging zelf speelt dat een beperkte rol: zolang het regenwater over de felsbanen naar de goot loopt en niet blijft staan op de plaat, blijft de plek van de schroef droog. Waar het wel meespeelt, is bij een lekkage die niets met de bevestiging te doen heeft, bijvoorbeeld bij een oude doorvoer die is dichtgekit in plaats van goed aangesloten. Dat water trekt de plaat in, de plaat verweekt lokaal, en dan houdt geen schroef het meer, hoe diep hij ook zit. Dat is dus geen probleem van de klik of van de klem, maar van een aansluiting die niet goed was uitgevoerd, en dat onderscheid is precies waarom wij op deze site alleen over de bevestiging schrijven en niet over de opbouw eronder.
Een dak zonder doorboringen in de plaat heeft geen gaten die dichtgekit kunnen gaan lekken, en dat is een reëel verschil met een systeem waarbij de schroef wel door de plaat gaat. Wat er bij ons wel kan gebeuren, is dat een klem op een zwakke plek in de ondergrond na twintig jaar iets speling heeft gekregen. Dat merkt u niet aan een lek, maar aan geluid: een tikkende of klapperende baan bij wind, meestal op één specifieke plek, meestal waar de gording het meest te lijden heeft gehad van vocht of van een eerdere doorboring die niet goed is opgevuld. Dat is te verhelpen door lokaal een klem bij te zetten of te verplaatsen naar een punt met vastere ondergrond; het hele dak hoeft er niet voor open.
Wat er bij deze ondergrond dus na twintig jaar niet is, is een verzwakking van de plaat zelf door de bevestiging, want die gaat er niet doorheen. Wat er wel kan zijn, is een schroef in de gording die door twintig jaar uitzetten en krimpen iets minder vast zit dan bij de start, met name als die schroef destijds net niet diep genoeg in massief hout zat. Op houtwolcementplaat is dat een reëel punt van aandacht, sterker dan op de meeste andere ondergronden, en dat is precies waarom wij aanraden om bij twijfel over de ligging van de sporenkap dat vooraf te laten opmeten in plaats van er bij de uitvoering van uit te gaan.