Klikzink
Een dak met veel doorvoeren is een ander dak dan de tekening suggereert. Op papier is het een rechthoekig vlak met een paar rondjes erop voor de ontluchtingen, de rookgasafvoer en misschien een unit. Op de bouwplaats is het een vlak dat is opgedeeld in stroken van wisselende breedte, met bij elke doorvoer een onderbreking die opgelost moet worden voordat er van goot naar nok kan worden doorgewerkt. Dat verandert hoe wij de banen indelen en hoe de bevestiging bij de goot wordt uitgevoerd.
Bij een schoon dakvlak zonder obstakels leggen we de banen in de volle lengte van goot naar nok, met een vaste klemafstand en een vast overhang. Zodra er doorvoeren in het vlak staan, is dat niet meer vanzelfsprekend. Een doorvoer die midden in een baan valt, betekent een baan die rond het obstakel wordt gepast of die wordt opgesplitst in een stuk onder en een stuk boven de doorvoer. Elk van die stukken heeft zijn eigen boveneind en zijn eigen ondereind, en dus zijn eigen aansluiting op de klemmen en, onderaan, op de goot. Hoe meer doorvoeren, hoe meer van die korte stukken, en hoe meer plekken waar de standaardregel voor de overhang opnieuw bekeken moet worden.
Bij een doorlopende baan is de overhang in de goot een kwestie van één keer goed instellen: de baan hangt een vast aantal centimeters over de gootrand, ver genoeg om water gecontroleerd te lozen en niet zo ver dat hij bij uitzetting in de goot gaat drukken. Bij een dak vol doorvoeren is dat niet één instelling maar tien of twintig, per kort baanstuk. Een stuk van twee meter zet minder uit dan een stuk van zes meter, en als de dakdekker bij elk stuk hetzelfde overhangmaat aanhoudt zonder te kijken naar de werkelijke lengte van dat stuk, ontstaat een goot waarin het een klein beetje overhangt en het andere te veel, of juist te weinig. Precies dat detail werken we uit op de pagina over de aansluiting op een klikdak, en die basis verandert niet: wat hier bijkomt is dat je die rekensom niet één keer maakt voor het hele dakvlak, maar telkens opnieuw voor elk stuk tussen twee doorvoeren.
De fout die we het vaakst zien ontstaan, is dat de indeling van de banen wordt gemaakt zoals op een leeg dak, en de doorvoeren er achteraf tussen worden gepast. Dat werkt op de tekening, maar op het dak zelf duwt een doorvoer die net binnen een klemafstand valt de volgende klem uit positie, of dwingt hij een korter baanstuk af dan gepland. Bij de goot is het gevolg dat het laatste stuk voor de gootrand niet de lengte heeft waarop de overhang was berekend. Een baan die door een doorvoer korter uitvalt dan de rest, zet minder uit, en als de overhang toch op de standaardmaat wordt gezet, hangt dat stuk verder over de gootrand dan nodig. Bij een lange, rustige baan valt dat verschil van een paar millimeter niet op. Bij een dak met twintig korte stukken naast elkaar zie je het wel, en dan niet als lek, maar als een golvende gootlijn waar het ene stuk net anders overhangt dan het andere.
Het omgekeerde risico is minstens zo vervelend. Een installateur die na het leggen van het dak nog een unit laat plaatsen, boort vaak zonder overleg een sparing in een bestaande baan, precies op de plek die voor die unit het handigst is. Als die sparing te dicht bij de gootrand valt, is er geen ruimte meer voor de klem die daar had moeten zitten, en schuift de bevestiging van dat baanstuk automatisch een stukje op. Wij geven daarom de voorkeur aan een volgorde waarin de doorvoeren bekend zijn voordat de banen worden ingedeeld, niet erna. Op de bouwplaats betekent dat concreet: eerst de installateur, dan de dakdekker, en niet omgekeerd.
Onder een gewone baan zit de klem op een vaste afstand, verdekt onder de fels, en die afstand is berekend op de uitzetting van een doorlopende plaat. Rond een doorvoer klopt die aanname niet meer. Het stuk plaat tussen de doorvoer en de gootrand is korter, dus het zet minder uit, maar het heeft ook minder ruimte om te bewegen omdat de doorvoer zelf vaststaat. Bij een baan die om een dakraam of een grote unit heen is gelegd, wordt de klem dicht bij de doorvoer daarom net iets anders geplaatst dan verderop op het vlak: niet om de plaat vast te zetten, want dat blijft een blinde bevestiging zonder doorboring van het vlak, maar om te zorgen dat het korte stuk niet gaat drukken tegen de opstand van de doorvoer zodra de temperatuur oploopt. Bij een dak met tien doorvoeren is dat tien keer een aparte afweging, niet één keer een standaardmaat die overal wordt herhaald.
Dat is ook de reden dat een dak vol doorvoeren meer tijd kost dan de oppervlakte alleen zou doen vermoeden. Twee dakdekkers die op een leeg vlak een groot aantal vierkante meters per dag dichtleggen, halen dat tempo niet op een vlak met veel obstakels, simpelweg omdat elke doorvoer een keuze vraagt over waar de baan wordt onderbroken, hoe de randen daarvan worden aangesloten, en hoe de klemmen eromheen worden gezet. Wie dat tempo toch afdwingt door de indeling niet aan te passen aan de doorvoeren, koopt zich in de problemen bij de eerste warme dag, wanneer de kortere stukken zich anders gedragen dan de rest van het dak.
Al die kleine aanpassingen komen uiteindelijk samen in de goot. Elke doorvoer stuurt water een beetje anders naar de gootrand dan een leeg vlak zou doen, en bij regen na een lange droge periode zie je op een dak met veel doorvoeren vaak een net iets ongelijke belasting van de goot: bij de doorvoeren zelf wat meer water door de kleine opstuwing die een obstakel altijd geeft, en tussen de doorvoeren wat minder. Dat is op zichzelf geen probleem als de overhang bij elk baanstuk goed is afgestemd, maar het is wel de reden dat wij bij een dak vol doorvoeren nooit uitgaan van één overhangmaat voor het hele vlak. We kijken per stuk naar de lengte, naar de afstand tot de dichtstbijzijnde doorvoer, en naar de vraag of dat stuk aan de rand van het dak ligt of ergens middenin, waar de uitzetting van de naburige stukken ook meespeelt.
Bij een dak dat naast de doorvoeren ook nog te maken heeft met een groot open vlak zonder veel steunpunten, komt er nog een extra laag bovenop, die we behandelen bij de goot op een groot open dakvlak. De twee omstandigheden vragen niet om dezelfde oplossing en het is een vergissing om de aanpak voor het ene zonder wijziging toe te passen op het andere.
Wie voor een dak staat met veel pijpen, ontluchtingen en units, doet er goed aan de installateur en de dakdekker samen aan tafel te zetten voordat de eerste baan wordt gelegd. Wij denken op tekening mee over de indeling rond de doorvoeren, kosteloos en voordat er iets wordt afgekort, zodat de banen op maat uit de walsmachine komen in de lengtes die bij dat specifieke dak horen.