Klikzink
Een pijp door het dakvlak is altijd een onderbreking van de baan, en een onderbreking is een plek waar water een keuze moet maken: over de doorvoer heen, of ernaast. Op een steil dak maakt de zwaartekracht die keuze snel. Op een flauwe helling, laten we zeggen tussen de zes en de vijftien graden, gaat dat trager. Het water staat langer op het vlak, zoekt de weg van de minste weerstand, en die weg loopt nu eenmaal vaak precies langs de rand van een doorvoer.
Dat verandert niets aan de klem die onder de fels zit. De bevestiging blijft blind, de plaat blijft ongeschonden door schroeven, en de baan klikt nog steeds op dezelfde manier in elkaar als op een steiler vlak. Wat wel verandert, is hoe u het detail rond de doorvoer opbouwt. Bij een flauwe helling moet de fels rond de pijp hoger staan dan bij een steil dak, en moeten de aansluitingen meer overlap en meer keren hebben. Waar op een steil dak een enkele opstand met een sluitkap vaak genoeg is, moet u op een flauw vlak rekenen op een hogere kraag, een ruimere overlap van de aansluitplaten, en een detail dat meer keer maakt om water dat blijft staan alle kanten op te weren in plaats van er alleen onderdoor te leiden. Wij behandelen dat verschil met een steil dak uitgebreider op de pagina over [de dakdoorvoer op een steil dak](/bevestiging/dakdoorvoer/steil-dak); hier gaat het om de omgekeerde situatie, waarin de tijd dat water op het vlak blijft staan de bepalende factor is.
Stel dat u de doorvoer aanpakt zoals u dat op een dak van dertig graden zou doen: een opstand van enkele centimeters, een sluitkap eromheen, klaar. Op een steil dak werkt dat, omdat het water nauwelijks de kans krijgt om op te stuwen tegen de opstand. Op een flauwe helling krijgt het die kans wel. Bij een flinke regenbui, of bij smeltwater dat langzaam over het vlak trekt, kan het waterpeil rond de voet van de doorvoer tijdelijk hoger komen dan bij een steil dak ooit het geval zou zijn. Een lage opstand die op een steil dak ruim voldoende is, staat dan simpelweg niet hoog genoeg boven het waterniveau. Het gevolg is dat water niet over de fels heen loopt zoals bedoeld, maar er onderdoor of overheen drukt op het moment dat het even te veel wordt.
Dit is geen kwestie van een net iets grotere marge nemen. Het is een andere uitgangspositie voor het hele detail. De fels rond de doorvoer moet op een flauw vlak hoger opgetrokken worden, en de overlappen tussen de banen die naar de doorvoer toe lopen moeten ruimer zijn, zodat er geen smalle marge overblijft waarop het water precies op het randje balanceert. Wie dat detail met de maatvoering van een steil dak uitvoert, bouwt in feite een lekkage in die zich pas na de eerste zware regenval laat zien, en dan vaak op een plek die niet meer zichtbaar is zonder het dak open te maken.
Op een steil dak kunt u de banen vaak in één lijn doorleggen en de doorvoer als een losstaand detail behandelen dat u er later inpast. Op een flauwe helling werkt die volgorde minder goed, omdat de banen rond de doorvoer al vanaf het begin rekening moeten houden met de opstuwing die er kan ontstaan. In de praktijk betekent dit dat de banen die de doorvoer flankeren eerder worden vastgeklemd met een iets grotere overlap richting de doorvoer, en dat de aansluitplaten rond de pijp zelf worden gelegd voordat de laatste banen ertegenaan klikken, in plaats van erna. Zo ontstaat er geen naad waar water zich kan verzamelen op het moment dat het langzamer wegloopt dan op een steiler vlak.
Dit raakt de bevestiging rechtstreeks. Omdat er geen schroeven door de plaat gaan, is elke naad en elke overlap afhankelijk van hoe de klemmen en de fels elkaar vasthouden, niet van een extra bevestigingspunt dat een fout in de volgorde zou kunnen compenseren. Bij een steil dak vergeeft de zwaartekracht kleine onnauwkeurigheden in die volgorde, omdat het water toch wegloopt voor het een probleem kan worden. Bij een flauwe helling is die marge er niet. Een baan die net iets te laat wordt aangesloten op de aansluitplaat rond de doorvoer, laat een kier open die bij stilstaand water zijn werk gaat doen.
Stalen felsbanen zetten ongeveer half zoveel uit als zink, en dat blijft ook rond een dakdoorvoer op een flauw vlak het uitgangspunt. Maar een hogere opstand rond de pijp is een stijver stuk plaatwerk dan een lage opstand, en stijver plaatwerk heeft minder ruimte om kleine lengteveranderingen zelf op te vangen. Waar een lage fels op een steil dak de uitzetting nog wat kan absorberen door lichtjes te bewegen, moet een hogere opstand rond de doorvoer op een flauw dak vaker een schuifvoeg of een ruimere overlap krijgen om diezelfde beweging toe te laten. Zonder die ruimte gaat de opstand op de langere termijn juist op de naad met de aansluitplaat trekken, en dat is een tweede weg waarlangs een lek kan ontstaan die niets met de klem zelf te maken heeft, maar met het gebrek aan bewegingsruimte in het detail erboven.
Het is verleidelijk om de oplossing te zoeken in een grotere sluitkap, of in extra kit rond de voet van de doorvoer. Dat is geen bevestigingsdetail meer, maar een noodoplossing die de klemverbinding van de banen omzeilt in plaats van erop aan te sluiten. Bij Klikzink denken wij liever mee op tekening, kosteloos, over hoe de fels rond een doorvoer op een specifiek flauw dakvlak eruit moet zien, met de juiste hoogte en overlap voor die helling. Dat is iets anders dan een detail dat overal hetzelfde wordt toegepast, en het is precies waar het verschil zit tussen een doorvoer die na twintig jaar nog droog is en een die dat na de eerste winter al niet meer is.
Als u een doorvoer op een flauw dakvlak moet inpassen, is het verstandig om de maatvoering van de fels en de overlap vanaf het begin op die helling te baseren, en niet over te nemen van een detail dat voor een steiler dak is bedoeld. Stuur ons de tekening van het vlak en de positie van de doorvoer, dan kijken wij mee naar de hoogte van de opstand en de volgorde van leggen die bij die specifieke helling past.