Klikzink
De dakvoet is de rand waar al het water van het dakvlak samenkomt en naar de goot of de gootconstructie stroomt. Bij een flink hellend dak is dat een kort moment: het water komt langs, versnelt en is weg. Bij een flauwe helling, zeg tussen de zes en een graad of vijftien, ligt dat anders. Het water beweegt trager, blijft langer op het vlak staan en drukt bij windbelasting eerder terug richting de fels dan dat het rustig doorloopt naar de rand. De dakvoet is daardoor niet alleen het punt waar het water weg moet, het is ook het punt waar het water het langst de kans krijgt om ergens naar binnen te zoeken.
Dat heeft directe gevolgen voor de bevestiging. De onderste klem van een felsbaan is namelijk niet zomaar een klem zoals alle andere. Hij zit op de plek waar de wind de meeste trekkracht ontwikkelt, omdat de luchtstroom aan de rand van het dak wervelt en de plaat daar het hardst optilt. Bij een steil dak wordt die trekkracht deels opgevangen door de snelheid waarmee het water wegloopt: er staat simpelweg minder gewicht en minder druk op die onderste rand. Bij een flauwe helling staat er water op het vlak op het moment dat de wind opsteekt, en dat verandert de belasting op precies die eerste klem. Wij houden daar bij de plaatsing rekening mee door de klemafstand aan de onderzijde te verdichten, zodat de krachten over meer punten verdeeld worden in plaats van te concentreren op een paar klemmen die het alleen moeten doen.
De fels, de haaks opstaande rand van 35 millimeter waarmee twee banen in elkaar klikken, is bij een steil dak vooral een verbinding. Bij een flauwe helling is hij ook een waterkering. Als er water op het vlak blijft staan, moet de fels hoog genoeg zijn om dat water tegen te houden voordat het over de rand van de fels heen kan slaan. Bij een dakhelling van twaalf graden is dat meestal geen probleem, de standaardhoogte van 35 millimeter volstaat dan ruim. Bij de onderkant van de toepasbare hellingshoek, richting de zes graden, wordt de marge kleiner. Wij kijken dan naar de lengte van het dakvlak en de hoeveelheid water die er bij een bui overheen moet, en bepalen op basis daarvan of de standaarduitvoering toereikend is of dat er extra aandacht nodig is bij de detaillering van de onderrand zelf.
Wat hier misgaat als u de dakvoet legt zoals bij een steil dak, is dat de marge die bij een steil dak vanzelf ontstaat door de snelheid van het water, bij een flauw dak wegvalt zonder dat er iets voor in de plaats komt. De fels lijkt hoog genoeg omdat hij dat bij een test met een gieter ook is. Bij een langdurige regenbui met wind uit de verkeerde hoek, waarbij het water tegen de looprichting in wordt geduwd, is diezelfde fels dan net niet hoog genoeg. Dat soort lekkages zijn lastig terug te herleiden, omdat ze zich pas voordoen onder een combinatie van omstandigheden die zich niet elke week herhaalt.
Bij een steil dak is de dakvoet vaak een kwestie van de baan doortrekken tot de rand en het randprofiel erover heen zetten. Bij een flauwe helling moet er op de dakvoet meer gebeuren, met meer keren in de plaat. Dat komt doordat het water bij een flauwe helling niet alleen recht naar beneden zoekt, maar ook zijwaarts kan bewegen, vooral bij windstuwing. Een dakvoetdetail dat alleen naar onder toe dicht is, maar niet naar de zijkanten, laat bij een flauw dak sneller water door dan bij een steil dak, waar de zwaartekracht het water sneller rechtdoor stuurt.
In de praktijk betekent dat een extra opstaande rand aan de onderzijde, een extra kering waar de baan de goot ontmoet, en soms een tweede keer in de plaat die bij een steiler dak overbodig zou zijn. Elke extra keer is een extra punt waar de plaat moet meewerken zonder te scheuren of te verzwakken, en waar de klem eronder goed moet blijven aansluiten. Onze banen zijn koud vouwbaar tot vijftien graden onder nul, wat ruimte geeft om die extra keren op de bouwplaats te maken zonder dat de coating breekt, maar het aantal keren zelf bepalen wij vooraf op basis van de helling en niet achteraf op het dak.
Omdat de dakvoet bij een flauwe helling meer belasting en meer water te verwerken krijgt, leggen wij op dit soort daken de onderste rij banen met meer zorg voor de aansluiting op de goot dan op een steil dak. Dat kost geen extra dagen, de blinde bevestiging met klemmen verandert daar niets aan, maar de volgorde waarin de eerste rij vastgezet wordt, ligt vaster. Bij een steil dak kan een baan soms wat losser liggen totdat de volgende erover geklikt is, omdat de zwaartekracht een verkeerd geplaatste klem minder snel afstraft. Bij een flauwe helling willen we dat elke klem in de onderste rij meteen goed zit, omdat een baan die daar een paar millimeter verschuift het verschil kan maken tussen water dat naar de goot loopt en water dat een randje vindt om onder te komen.
Er is een grens aan wat een dakvoetdetail kan compenseren. Onder de zes graden helling raden wij dit systeem niet aan, ongeacht hoeveel keren er in de plaat komen. Op dat punt staat er simpelweg te veel water te lang stil, en dan is de vraag niet meer hoe de dakvoet eruit moet zien, maar of een felsdak nog wel het juiste dakbedekkingssysteem is voor die situatie. Dat ligt buiten de bevestiging en meer bij de opbouw van het dak als geheel, iets waar u meer over leest op klikfels.com.
Ook als de flauwe helling samengaat met een dakvlak dat richting de dakvoet versmalt, bijvoorbeeld bij een driehoekig dakvlak, verdient het detail aan de onderzijde apart aandacht per situatie. Wij denken daar vooraf op tekening in mee, zonder kosten voor dat meedenken, juist omdat een flauwe helling minder ruimte laat om op de bouwplaats nog iets te corrigeren dan een steil dak dat doet.