Klikzink
Een schoorsteen staat midden in een dakvlak waar de rest van de baan gewoon doorloopt. Dat maakt hem anders dan een rand of een nok: het water dat over het dak naar beneden komt, loopt niet om het dak heen maar tegen de schoorsteen aan. Boven het obstakel moet dat water actief uiteen worden gestuurd, anders blijft het staan tegen de opgaande kant en zoekt het een weg naar binnen op precies de plek waar de meeste kans op een fout zit.
De bevestiging rond de schoorsteen bestaat niet uit klemmen die in de fels van de banen liggen, zoals in het vlak zelf. Rond het obstakel werken we met opzetstukken en een loodslabbe of felsconstructie die tegen het metselwerk of de betonnen opstand aankomt. Die constructie moet ergens aan vast, en op een betonnen dak is dat een ander verhaal dan op een houten dek. Beton laat geen schroef zomaar toe. Er moet een plug in het beton, of er moet een regelwerk komen dat op zijn beurt weer aan het beton verankerd is. De vraag waar we in dit artikel op ingaan is niet hoe de fels rond de schoorsteen eruitziet, maar waar die drager onder de fels op vastzit en wat daarbij misgaat.
Op een houten onderconstructie draait bevestiging om houtschroeven die in vezelig materiaal grip vinden. In beton is dat grip er niet vanzelf. Een schroef die zomaar in beton gedraaid wordt, houdt niets vast, hij spint rond in het gat of breekt af. Er is een boring nodig, een plug die zich in die boring spant, en dan pas een schroef die in die plug grip krijgt. Dat klinkt als een detail, maar het is het verschil tussen een bevestiging die twintig jaar meegaat en een die na een paar vorstperiodes los begint te zitten.
Bij een schoorsteen komt daar een complicatie bij die je bij een rechte rand niet hebt. Rond het obstakel is de constructie vaak overhoeks, met een keperschaar of een verspringing waar de opzetstukken in verschillende richtingen moeten aansluiten. Dat betekent dat de pluggen die de drager vasthouden niet allemaal op dezelfde diepte en onder dezelfde hoek kunnen staan. Op een vlak dakdeel plug je recht het beton in en klaar. Rond een schoorsteen moet degene die de pluggen zet vooraf bedenken hoe de drager straks loopt, en pas dan boren. Wordt dat omgedraaid, dan past de drager niet meer op de pluggen die er al zitten, en wordt er bijgeboord vlak naast het eerste gat. Dat tweede gat zit in beton dat door het eerste boren al verstoord is, en de plug houdt daar minder dan op een schone plek.
Het aansluitwerk rond een schoorsteen vraagt om een volgorde die niet flexibel is. Eerst moet de drager vaststaan: het regelwerk of de opzetprofielen die tegen de schoorsteen aankomen en waarop de loodslabbe of het felswerk straks rust. Die drager moet op zijn plek liggen voordat de banen in het vlak eromheen gelegd worden, want de aansluiting van de baan op de schoorsteen bepaalt hoe de baan afgekort en gevouwen wordt. Onze banen worden op de millimeter afgekort geleverd, dus als de drager een paar centimeter verschuift nadat de baanmaten al bepaald zijn, klopt de maat niet meer.
In de praktijk zien we dat dit vaker misgaat dan je zou denken. Iemand meet de schoorsteen op, bestelt de banen op basis van die maat, en pas op de bouw blijkt dat de opstand van de schoorsteen niet helemaal haaks op het dakvlak staat, of dat het regelwerk een centimeter verschoven moet worden om op een plek te komen waar het beton wel houvast biedt. Dat is op een betonnen dak net iets vaker aan de orde dan op hout, omdat de plek waar een plug wel of niet goed vastzit soms pas blijkt bij het boren zelf. Er kan een wapeningsstaaf net onder de plek zitten waar de plug moet komen, of het beton is daar poreuzer dan verwacht. Dan moet de drager een paar centimeter opschuiven, en die verschuiving werkt door tot in de maat van de banen ernaast. Wie op tekening met ons meedenkt voordat er wordt afgekort, vangt dat probleem voor het legwerk begint in plaats van tijdens.
Bij de meeste details rond een obstakel is de onderzijde de plek waar het water het langst blijft staan, omdat het daar afgeremd wordt. Bij een schoorsteen is het net zo goed de bovenzijde die aandacht vraagt, omdat daar het water dat van boven afkomt uiteen moet worden gestuurd voordat het de zijkanten van de schoorsteen bereikt. Dat uiteensturen gebeurt met een keperschaar of een vergelijkbare constructie die het water naar links en rechts afvoert. Die constructie hangt aan dezelfde drager als de rest van het opzetwerk, en als die drager niet stevig in het beton verankerd is, kan de keperschaar onder de druk van slagregen of sneeuwbelasting een fractie bewegen. Een fractie bewegen is genoeg om een naad open te trekken die eerst dicht was.
Dit is een ander soort zwak punt dan bij een dak met doorschroefde platen. Daar zit het risico in de schroefgaten zelf, duizenden kleine doorboringen die elk een potentiële lekplek zijn. Bij onze blinde bevestiging is dat risico er niet, de plaat zelf is nergens doorboord. Maar rond een obstakel als een schoorsteen komt de bevestiging terug in de vorm van die paar pluggen die de hele drager dragen. Er zijn er weinig, maar ze moeten wel allemaal goed zitten, want er is geen tweede lijn die het opvangt als er een loslaat.
De fout die we het meest teruggekoppeld krijgen is niet de plug zelf, maar de aanname dat beton overal even massief is. Rond een schoorsteen is vaak bijgestort of is er een oudere reparatie in het beton verwerkt. Wie daar zonder te kijken een gat boort, kan in los of afwijkend materiaal terechtkomen waar de plug niet dezelfde trekkracht haalt als in de rest van het dak. Dat is met het oog niet te zien, en het wordt pas duidelijk als er aan de drager getrokken wordt tijdens het monteren. Een tweede terugkerende fout is dat de drager wel stevig vaststaat, maar niet in de juiste hoek voor het water dat van boven komt. Dan lekt het niet omdat de bevestiging loslaat, maar omdat het water een weg vindt langs een naad die door een verkeerde hoek net niet aansluit op de rest van het felswerk.
Ons aandeel in dit detail is de fels zelf en de manier waarop die op de drager aansluit, niet het regelwerk of de plug in het beton. Dat laatste is het werk van de aannemer of de dakdekker die de ondergrond kent. Wat wij wel doen is vooraf meedenken over hoe de baanindeling rond een schoorsteen het beste loopt, zodat de drager daar op wordt afgestemd in plaats van andersom. Dat overleg, op tekening, kost niets en voorkomt dat er op de bouw geïmproviseerd moet worden met een schoorsteen die net anders staat dan getekend. Voor de rest van het dakvlak, waar geen obstakel in de weg staat, gelden andere overwegingen over de ondergrond zelf, zoals wij beschrijven bij een klikdak op betonnen dak, en voor de aansluiting aan de bovenkant van het dakvlak bij de aansluiting op de nok.