Klikzink
De nok is de plek waar twee dakvlakken elkaar bovenaan raken. Voor de meeste onderdelen op een dak is dat een detail dat je erbij monteert. Bij een klikdak is het anders: de nok is waar de baan stopt. Alles wat de baan tot dan toe heeft gedaan, uitzetten, krimpen, meebewegen op de klem, komt daar samen op één lijn. De afwerking die je erop zet moet water keren zonder dat ze die beweging blokkeert. Dat is een andere opgave dan een kapje monteren dat er goed uitziet.
Op een stalen dakplaat, of dat nu een damwandprofiel is of een trapeziumplaat, ligt er nog een laag onder die opgave. De klem die de felsbaan draagt, staat namelijk niet op een massief of star oppervlak. Hij staat op dun plaatstaal, meestal ergens tussen de 0,63 en 0,75 mm, met een golf of een trapeziumvorm erin geperst. Die golf geeft draagkracht in de lengte van de plaat, maar op de plek waar u een klem vastzet, zit u op een oppervlak dat onder belasting kan doorbuigen, resoneren bij wind, en anders reageren op een schroef dan een houten of stalen ondergrond met meer massa.
Bij de nok komen de klemmen van de laatste baanrij dicht bij elkaar te liggen, vaak op een kortere tussenafstand dan verderop op het dakvlak omdat de nokconstructie zelf al ruimte inneemt. De klem wordt daar met een schroef door de damwand- of trapeziumplaat heen bevestigd, in het hoogste deel van het profiel, nooit in het dal waar water blijft staan of waar de plaat het dunst ondersteund is. Bij een houten dakbeschot zou u die schroef in massief materiaal draaien en heeft de schroef daar houvast over de volle lengte. In dun staal werkt dat anders: de schroef moet zijn eigen draad snijden in plaatstaal, en dat vraagt om een zelftappende schroef met het juiste puntprofiel en de juiste kern diameter. Een schroef die op hout goed werkt, trekt in dun staal door of grijpt niet.
Op de nok zelf komt vervolgens een nokstuk of daktransportprofiel dat de twee dakvlakken overbrugt. Dat stuk moet aan beide zijden op de laatste felsbaan aansluiten, en het is precies hier dat we vaak zien misgaan wat er in de rest van dit artikel wordt uitgelegd: het nokstuk wordt star vastgezet op de banen, terwijl die banen willen uitzetten en krimpen met de temperatuur. Een stalen felsbaan zet ongeveer half zoveel uit als een zinken, maar nul is het niet. Bij een baanlengte van pakweg tien meter en een fors temperatuurverschil tussen een koude winternacht en een hete zomerdag loopt die uitzetting op tot een paar millimeter die ergens naartoe moeten.
Op een houten of stalen dragende ondergrond met voldoende massa geeft de klem onder de fels een stabiel punt: de schroef zit vast in een materiaal dat niet meebeweegt met wind of trilling. Op een damwand- of trapeziumplaat ligt dat genuanceerder. De plaat zelf kan bij windbelasting een beetje meeveren, en bij een hoog dakvlak met veel windzuiging staat die beweging het sterkst juist bovenaan, bij de nok. De klem moet dus niet alleen de felsbaan vasthouden, maar ook meebewegen met een ondergrond die zelf niet helemaal stilstaat.
Dat heeft gevolgen voor de schroefkeuze en voor de tussenafstand van de klemmen bij de nok. Bij damwand- en trapeziumplaten wordt vaker gekozen voor een iets kortere klemafstand in de laatste meter voor de nok, juist om de belasting per klem te verdelen over meer bevestigingspunten. Een aannemer die deze indeling standaard van een houten ondergrond overneemt, komt bij een stalen dakplaat soms tekort: de plaat trilt net wat meer bij windvlagen dan hij gewend is, en na een paar jaar zie je dat op precies die plek waar de klemafstand te ruim was gekozen.
Er is nog een tweede verschil, en dat gaat over de doorvoer van de schroef zelf. Bij hout wordt vaak geen extra afdichting om de schroefkop gebruikt, omdat het hout de schroef als het ware omsluit. Bij een damwandplaat zit er, afhankelijk van de opbouw, een isolatielaag en een dampremmende laag onder de plaat, en die schroef doorboort dus meerdere lagen tegelijk. Bij de nok is dat een gevoelig punt, omdat daar ook nog het meeste hemelwater van beide dakvlakken samenkomt vlak voordat het over de nok naar de andere kant, of via de goot, wordt afgevoerd. Een schroef die niet goed afdicht op de damwandplaat geeft daar sneller een probleem dan een schroef die halverwege een dakvlak zit, simpelweg omdat er bij de nok meer waterdruk en meer windbelasting samenkomen.
De klassieke fout bij de nok op een stalen dakplaat is het star vastzetten van het nokprofiel op de laatste rij klemmen, zonder ruimte voor de lengtebeweging van de banen. Bij hout valt dat soms nog mee omdat de schroefverbinding daar iets meer speling toestaat door de vezelstructuur van het hout. Bij een damwandplaat is die tolerantie er niet: de schroef zit hard in het staal, en als het nokprofiel de baan daar vastklemt in plaats van laat glijden, ontstaat er over de jaren een opeenstapeling van spanning. Bij een koud jaar krimpt de baan, het nokprofiel houdt tegen, en op de klem die het dichtst bij het uiteinde zit, ontstaat een trekkracht die daar niet voor bedoeld is.
Een tweede fout die we vaker zien bij deze combinatie, is de schroef die te ver of te weinig wordt aangedraaid in de damwandplaat. Te los, en de schroef krijgt speling waardoor de klem bij windbelasting gaat werken in het gat dat hij zelf slijt. Te vast, en de kop van de schroef vervormt de sluitring zodanig dat de afdichting rond de schroef niet meer goed aansluit. Bij een houten ondergrond is die marge iets ruimer, omdat het hout de schroef nog wat kan opvangen. Bij dun staal is er vrijwel geen marge, en dat merk je bij de nok het eerst, omdat daar de combinatie van waterbelasting en beweging het grootst is.
Een derde punt is de aansluiting tussen het nokprofiel en de golf van de damwand- of trapeziumplaat zelf. Waar de laatste rij klemmen op de golftoppen van de plaat wordt bevestigd, moet het nokprofiel die golfvorm kunnen volgen zonder dat er een kier ontstaat waar water onder kan komen. Bij een vlakke stalen ondergrond is dat een rechte lijn; bij een damwandplaat is het een lijn met een herhalend profiel, en het nokstuk moet daar met de juiste tussenstukken op aansluiten. Een nokprofiel dat is uitgemeten op een vlakke ondergrond past niet zomaar op een damwandplaat, en een verkeerde aansluiting daar laat zich pas zien bij de eerste stevige regenval met wind uit de verkeerde hoek.
Omdat de nok het laatste deel van het dakvlak is waar de banen samenkomen, wordt dit onderdeel meestal als laatste gelegd, na de rest van het vlak. Op een damwand- of trapeziumplaat betekent dat ook dat de opmeting van de klemafstand en de schroefpositie bij de nok vaak pas op de bouwplaats definitief wordt vastgesteld, omdat de exacte golfpositie van de plaat per project en soms per dakvlak kan afwijken. Wie dat vooraf op tekening laat meedenken, voorkomt dat op de bouw ter plekke geïmproviseerd moet worden met een schroefpositie die niet op de golftop van de plaat valt. Dat meedenken op tekening is iets wat wij zonder extra kosten doen, precies omdat een verkeerd geplaatste schroef bij de nok op een damwandplaat zich pas na een paar jaar laat zien, en dan zit het al onder het nokprofiel verstopt.