Klikzink

Dilatatie op stalen dakplaat: de klik en de naad

Een dilatatievoeg is de plek waar het gebouw zelf mag bewegen. Twee bouwdelen die onafhankelijk uitzetten, een lange gevel die in stukken is opgedeeld, een aanbouw die los staat van het hoofdvolume: overal waar de constructie is opgeknipt, zit een naad die die knip zichtbaar en werkbaar houdt. Die naad ligt vast in de bouwkundige tekening, lang voordat er een felsbaan op het dak komt. Onze bevestiging moet zich daar naar voegen, niet andersom.

Het verschil met de uitzetting van de felsbaan zelf is belangrijk. Onze stalen banen zetten door temperatuur ongeveer half zoveel uit als zink, en de klemmen onder de fels zijn juist ontworpen om die kleine, geleidelijke beweging op te vangen zonder dat er een schroef meebeweegt of loskomt. Dat is normaal gedrag van het materiaal, verspreid over de hele lengte van de baan. Een dilatatievoeg in de constructie is iets anders: die vangt een veel grotere, geconcentreerde beweging op, van het gebouw of van de ondergrond, op één vaste plek. Beide bewegingen mogen elkaar niet kruisen zonder dat er over is nagedacht.

De ondergrond: dun staal met een ander gedrag

Op een damwand- of trapeziumplaat als drager ligt de bevestiging anders dan op een massieve ondergrond. De plaat is dun, meestal minder dan een millimeter, geprofileerd voor stijfheid in de lengte en gedragen door de gordingen daaronder. De klem die onze fels vasthoudt, wordt op die plaat vastgeschroefd met een zelfborende of zelftappende schroef die door het dunne staal heen grip zoekt. Dat is een andere schroefverbinding dan in een houten gording of een betonnen dek: het gat is niet voorgeboord in massief materiaal, het staal van de plaat moet zelf meewerken om de schroefdraad te vormen.

Dat dunne staal reageert ook anders op trillen en uitzetten dan een dikkere drager. Een damwandplaat kan door windbelasting lichter napraten, en bij grote temperatuurverschillen zet de plaat over zijn eigen lengte meetbaar uit. Onze klemmen zijn daar niet blind voor: de bevestigingspunten liggen op regelmatige afstand zodat de belasting per punt beperkt blijft, en de klik zelf laat de felsbaan nog een beetje meebewegen zonder dat de klem meteen aan zijn grens komt. Maar dat is iets anders dan een dilatatievoeg opvangen. Wat de klem aankan is de gewone, verspreide beweging van plaat en baan. Wat een dilatatievoeg vraagt is dat de bevestiging daar juist loslaat.

Waar de bevestiging moet loslaten

Bij een dilatatievoeg in de onderliggende constructie, bijvoorbeeld waar twee delen van de stalen dakplaat op een aparte gording aansluiten en het gebouw daar mag bewegen, mag de felsbaan niet star over die voeg heen doorlopen met bevestigingspunten aan beide zijden die aan elkaar vastzitten via de plaat. Doet u dat toch, dan wordt de bevestiging zelf de plek waar de spanning zich opbouwt. Het gebouw beweegt, de plaat volgt die beweging half, de klemmen zitten daar tussenin vast, en iets moet toegeven. Dat is bijna nooit de voeg zelf, die is er juist op gemaakt om open te staan. Het is de plaat die vervormt rond de schroef, of de schroefverbinding die uitslijt in het dunne staal tot de klem speling krijgt.

De oplossing zit in hoe de banen en de bevestiging ter plekke van de voeg worden onderbroken. Aan beide zijden van de dilatatie loopt een eigen stuk felsbaan met zijn eigen bevestigingspunten, die niet over de voeg heen grijpen. De aansluiting tussen die twee stukken wordt met een overlappend of schuivend detail gemaakt dat de beweging van de voeg zelf kan volgen, in plaats van met een fels die de twee delen mechanisch aan elkaar knoopt. Praktisch betekent dit dat de dakdekker op de tekening moet kunnen zien waar de dilatatievoeg loopt voordat de eerste baan wordt gelegd, niet pas als de plaat al vol klemmen zit en de voeg er dwars doorheen blijkt te lopen.

Een voorbeeld uit de praktijk: bij een loods met een dilatatie halverwege de lengte, waar het dakvlak in twee onafhankelijke constructiedelen is opgeknipt, lopen de damwandplaten aan beide zijden apart door tot aan de voeg. Als de felsbanen daar gewoon doorlopen en de klemmen aan beide zijden van de voeg op dezelfde plaat worden vastgezet, lijkt het dak in eerste instantie prima dicht. Na een paar jaar, met wisselende temperaturen en de normale zetting van het gebouw, ontstaat juist bij die voeg een lichte welving in de plaat rond de schroeven, omdat de plaat op die ene plek dubbel werk moet doen: de eigen uitzetting volgen en de bewegingen van de voeg opvangen die er eigenlijk niet horen te komen.

Het gevolg van fout gelegde bevestiging

Waar de bevestiging de dilatatie negeert, ontstaat de schade niet meteen bij de voeg zelf, maar rond de klemmen die het dichtst bij die voeg staan. De schroefgaten in het dunne staal van de damwandplaat werken zich langzaam los onder herhaalde kleine bewegingen die de klem niet zou hoeven opvangen als de voeg goed was doorgezet. Dat uitslijten van een schroefgat in dun staal is onopvallend van boven het dak, maar het betekent wel dat de klem zijn grip verliest en de fels op die plek los kan gaan staan. Dat is een ander soort zwak punt dan bij een dak dat wél met zichtbare schroeven door de plaat is bevestigd: daar zit de schroef vaak star vast in dikker materiaal en verplaatst de spanning zich naar de kop van de schroef of de afdichting daaromheen. Bij onze blinde bevestiging op dunne damwandplaat zit de kwetsbare plek juist in het schroefgat zelf, onder de klem, onzichtbaar zolang de fels nog dichtligt.

De reden dat dit specifiek bij deze ondergrond speelt, is de combinatie van dun materiaal en een grotere, geconcentreerde bewegingsbron. Op een houten of betonnen dek is de drager zelf star en neemt hij zelden deel aan grote bewegingen; dilatatie zit daar dan meestal in de dakopbouw zelf. Op een stalen damwandplaat is de drager dun genoeg om plaatselijke overbelasting zichtbaar te maken in de vorm van vervormde schroefgaten, en stijf genoeg in zijn geheel om een bewegende voeg door te geven aan de klemmen die erop staan, als daar geen rekening mee is gehouden.

Wat dit betekent voor de volgorde op de bouw

Op een dak met een dilatatievoeg loont het om die voeg als eerste vast te leggen op het legplan, voordat er banen op maat worden bepaald. Onze banen worden op de millimeter afgekort, wat ruimte geeft om de lengtes precies te laten eindigen waar de voeg begint, in plaats van een baan te forceren tot over de voeg heen en de bevestiging daar dan maar half te laten. Bij het walsen op maat kan met die maatvoering rekening worden gehouden, zodat de dakdekker op de bouw niet zelf ter plekke moet improviseren met een baan die net te lang is.

Dit is ook een van de situaties waarop het meedenken op tekening vooraf zijn waarde heeft: een dilatatievoeg die op de bouwkundige tekening staat maar niet is doorgegeven aan wie de felsbanen bestelt, leidt tot een dak dat er op de eerste dag goed uitziet en jaren later juist rond die voeg de eerste klachten geeft. Geef ons de voeg door bij de aanvraag, dan komt de maatvoering van de banen en de indeling van de bevestigingspunten daar al op te staan.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink