Klikzink

De dilatatie op een betonnen dak

Een dilatatievoeg in een betonnen dak is er niet voor niets. Het gebouw zet uit en krimpt, verschillende delen van de constructie bewegen niet altijd samen, en de voeg is de plek waar dat mag gebeuren zonder dat er scheuren ontstaan waar je ze niet wilt. Op papier is dat een simpele lijn op de tekening. Op het dak is het de plek waar twee betonnen vlakken los van elkaar staan en waar alles wat daarover heen loopt, inclusief de dakbedekking en de felsbanen erboven, die beweging moet kunnen volgen zonder los te trekken of te scheuren.

Bij een traditioneel felsdak is dat al een punt van aandacht, maar bij een geklikte felsbaan wordt het scherper, omdat de bevestiging zelf een rol speelt in hoe die beweging wordt opgevangen. Onze banen zitten niet met een schroef vast aan de ondergrond. Ze klikken over een klem die onder de fels ligt, en die klem is op zijn beurt bevestigd aan een drager. Op een betonnen dak is dat bijna altijd een regelwerk of een systeem met pluggen, omdat er in massief beton niet zomaar een schroef gaat zitten die je makkelijk kunt verplaatsen of vervangen. De vraag bij een dilatatievoeg is dus niet alleen hoe de plaat zelf beweegt, maar ook waar die drager vastzit en of die drager de voeg volgt of erover heen loopt als was er niets aan de hand.

Waarom de plaat niet mag vastzitten op de voeg

Een felsbaan zet zelf ook uit en krimpt, door temperatuur, en dat staat los van de beweging van het beton onder de voeg. Onze stalen banen zetten ongeveer half zoveel uit als zink, wat in de praktijk betekent dat de platen zelf al met enige vrijheid liggen: vast aan één kant, glijdend aan de andere, via de klemmen. Dat werkt goed zolang de baan over een gelijkmatige, stabiele ondergrond loopt. Op het moment dat er onder die baan een naad zit waar het beton zelf in twee richtingen kan bewegen, komt er een tweede beweging bij die niets te maken heeft met temperatuur in de plaat, maar met de constructie daaronder. Als de klemmen op die plek star aan beide zijden van de voeg zijn vastgezet, wordt de voeg feitelijk overbrugd door een stijve strip staal. Dat beton mag dan niet meer bewegen zoals bedoeld, of de plaat en de klem worden de zwakke schakel en geven het eerst mee. Bij een geschroefd dak zie je dit ook, maar daar is het gat om de schroef vaak nog de plek waar iets kan scheuren. Bij een blind bevestigd dak zonder doorboringen ligt de zwakte ergens anders: in de klem zelf, of in het punt waar de klem aan de drager vastzit.

Hoe de bevestiging de voeg volgt

In de praktijk betekent dit dat de dilatatievoeg in het beton wordt doorgetrokken in de bevestigingslaag. Het regelwerk of de onderconstructie wordt op die plek onderbroken, niet er overheen gelegd. Er ontstaat zo een eigen voeg in de drager, precies boven de voeg in het beton, zodat beide kanten van de constructie onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. De felsbaan die daarover loopt wordt op die plek niet star doorgekoppeld: de klemmen aan weerszijden van de voeg werken ieder voor hun eigen deel van het dak, en de baan zelf krijgt op die plek de ruimte om die knik in de ondergrond op te vangen, meestal met een overlap of een aparte afdekking die los kan bewegen ten opzichte van de rest van de baan.

Dit is een ander uitgangspunt dan bij een dakrand of een gevelaansluiting, waar de bevestiging vooral moet zorgen dat de plaat niet loskomt bij windbelasting. Bij een dilatatievoeg is het net andersom: de bevestiging moet er juist voor zorgen dat de plaat niet te vast zit op het punt waar beweging nodig is. Wie dat niet onderkent en de klemmenrij zonder onderbreking over de voeg heen doorzet, bouwt een dak dat op papier klopt en in de praktijk na een paar jaar op precies die ene lijn gaat werken: een oneffenheid, een lichte golf in de plaat, of in het ergste geval een scheur in de fels zelf.

Waar het misgaat, en waarom je het pas laat ziet

Het lastige aan een fout op een dilatatievoeg is dat die niet meteen zichtbaar is. Het beton beweegt seizoensgebonden en vaak langzaam, een paar millimeter per jaar, niet iets wat je op de bouw meteen terugziet. Een klem die net iets te star is bevestigd, houdt die eerste jaren stand. De schade komt pas later, als de opgebouwde spanning ergens moet landen. Dat is ook waarom dit detail vaak wordt onderschat op de bouwplaats: de aannemer die het regelwerk zet, ziet een rechte doorlopende ondergrond en heeft geen directe aanleiding om daar een knip in te maken, tenzij dat vooraf op tekening is aangegeven. Wij denken daarom liever mee voordat de banen gewalst worden dan dat we achteraf een oplossing zoeken voor een dilatatievoeg die niet is meegenomen in de maatvoering van de platen. Dat meedenken op tekening kost niets en voorkomt dat een baan van, zeg, vier meter precies over de voeg heen moet worden doorgezaagd op de bouwplaats, wat nooit hetzelfde resultaat geeft als een baanlengte die er vooraf op is afgestemd.

Er is nog een tweede manier waarop het misgaat, en die heeft niets met de klem te maken maar met de plaat zelf. Als de baanlengte zo is gekozen dat de vaste bevestigingspunten van de plaat toevallig samenvallen met de dilatatievoeg, dan zit het punt waar de plaat níet mag bewegen precies op de plek waar de ondergrond wél beweegt. Dat is de omgekeerde fout van de vorige: niet de drager die star doorloopt, maar de plaat die op de verkeerde plek is vastgeklemd. Bij het uitzetten van de baanlengtes en de positie van de vaste klemmen ten opzichte van de glijdende klemmen moet de voeg dus meegenomen worden, niet als bijzaak maar als een van de punten waarop de indeling van het dak wordt afgestemd.

Het verschil met een gewone doorvoer of aansluiting

Het is goed om dit onderscheid scherp te houden ten opzichte van andere details op een betonnen dak. Bij een dakdoorvoer of een schoorsteen gaat het vooral om het dicht houden van een opening die stilstaat; de bevestiging daaromheen moet vast liggen en de plaat moet er soepel om afgewerkt kunnen worden, zoals ook geldt bij een aansluiting op een dakraam. Bij een dilatatievoeg gaat het niet om een opening maar om een beweging die doorlopend aanwezig is, ook nadat het dak jarenlang dicht ligt. De bevestiging moet daar niet dicht zijn, maar los genoeg om mee te kunnen bewegen zonder dat het dak zijn functie verliest. Dat is een ander soort denken dan bij de meeste andere aansluitingen op een betonnen dak, en het is ook de reden dat we dit als apart punt behandelen naast bijvoorbeeld de manier waarop de bevestiging loopt bij een boeiboord of een dakvoet.

Voor wie een betonnen dak laat bekleden met een geklikte felsbaan is de vraag dus niet alleen of de klemmen goed vastzitten, maar ook waar ze bewust niet star mogen doorlopen. Dat is iets om vooraf op tekening te bepalen, samen met de positie van de voegen, en niet iets om tijdens de uitvoering ter plekke te improviseren.

KKlikzink
Pagina'sHomeSpecificatiesKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlogContactPrivacyverklaring Klikzink
Contact
Adres
© Klikzink