Klikzink
Een dak met pijpen, ontluchtingen, hemelwaterafvoeren en units erop is een ander dak dan een leeg vlak, ook als de oppervlakte hetzelfde is. Elke doorvoer onderbreekt een baan. Waar een baan normaal ongehinderd van goot tot nok doorloopt en op vaste afstand zijn klemmen krijgt, moet die baan nu om een sparing heen, eindigen tegen een opstand, of in stukken gelegd worden tussen twee doorvoeren die net niet in lijn liggen. Dat verandert de indeling van het dakvlak, en de indeling bepaalt waar de klemmen komen en hoeveel ruimte een baan nog heeft om te bewegen.
De klem onder de fels is bedoeld om de plaat vast te houden zonder hem vast te zetten. Staal zet uit en krimp door temperatuur, en die beweging moet ergens heen kunnen, meestal richting de dilatatievoeg die daarvoor is aangelegd. Op een leeg dakvlak is dat overzichtelijk: lange banen, regelmatige klemafstand, één of twee voegen op de plaats waar de constructie dat vraagt. Zodra er tien doorvoeren in dat vlak staan, wordt elke baan tussen twee doorvoeren een eigen klein vlak met zijn eigen bewegingsruimte. Als u de klemmen dan verdeelt als op een leeg dak, zonder rekening te houden met de kortere vrije lengte per baandeel, zet u een stuk plaat vast dat eigenlijk nog moest kunnen schuiven. Niet de voeg neemt de spanning op, maar de plaat zelf, of de kraag rond de doorvoer.
Een korte baan tussen twee doorvoeren zet minder uit dan een lange baan, dat klopt. Maar de opeenstapeling van doorvoeren betekent vaak dat er op een klein oppervlak meerdere korte baandelen naast elkaar liggen, elk met hun eigen kraag, elk vast aan een leiding of unit die zelf niet meebeweegt met het dakvlak. Een pijp die door het dak gaat, zit vast aan de installatie erbinnen. Het dakvlak eromheen zet uit en krimp met de temperatuur van de plaat, maar de doorvoer zelf doet dat niet of nauwelijks. Dat verschil in beweging moet worden opgevangen door de kraag rond de doorvoer, en de klemmen net daarbuiten mogen die opvang niet in de weg zitten.
In de praktijk zien wij dat dit misgaat wanneer een dakdekker de klemafstand aanhoudt die voor een leeg vlak geldt, en de bijzondere plekken rond doorvoeren behandelt als een detail dat er nog bijkomt. Dan wordt een klem net naast een kraag gezet omdat daar toevallig de standaardmaat uitkomt, zonder dat er is gekeken of de plaat daar nog kan bewegen richting de dichtstbijzijnde voeg. Na een paar jaar van opwarmen en afkoelen zie je dan een vervorming van de plaat vlak bij de doorvoer, niet bij de voeg waar die vervorming had moeten landen.
Op een leeg dakvlak leg je de banen op volgorde, van de ene rand naar de andere, met een vaste klemafstand die je van tevoren hebt bepaald. Bij veel dakdoorvoeren werkt die volgorde niet meer zonder aanpassing. Elke doorvoer vraagt om een keuze: loopt de baan erlangs met een inkeping, wordt de baan hier onderbroken en met een eigen aansluitdetail hervat, of ligt de doorvoer zo dicht bij een andere dat het voordeliger is om dat stuk dak als apart veld te behandelen met zijn eigen voeg.
Die keuzes maakt u niet op het dak zelf, met de rol felsband in de hand. Ze horen op tekening bepaald te zijn, voordat de eerste baan wordt gelegd. Wij denken op tekening mee, zonder kosten daarvoor, juist omdat een dak met veel doorvoeren vraagt om een indeling die van tevoren klopt. Als de indeling na het leggen nog moet worden aangepast omdat een doorvoer net verkeerd uitkomt, is de kans groot dat de bewegingsruimte er stiekem bij inschiet, gewoon omdat er op dat moment geen ruimte meer is om het anders op te lossen.
Stel dat een dak met veertien doorvoeren wordt gelegd volgens hetzelfde stramien als een leeg dak ernaast: vaste klemafstand, één voeg in het midden, banen die van goot tot nok lopen en de doorvoeren maar laten passeren waar ze nu eenmaal staan. Zolang het dak nieuw is, valt er niets op. De eerste zomer zet alles een beetje uit, de eerste winter krimpt het weer terug, en niets scheurt.
Maar de baandelen die tussen twee dicht bij elkaar staande doorvoeren zitten, hebben nauwelijks vrije lengte om die beweging op te vangen. Als de klemmen daar op de standaardafstand zitten, zonder marge, drukt de plaat zich tegen de kraag van de doorvoer aan bij elke temperatuurstijging. Dat gebeurt niet één keer, maar elk jaar opnieuw, honderden keren over de levensduur van het dak. Op een gegeven moment geeft niet de voeg mee, die er voor bedoeld was, maar het materiaal rond de doorvoer zelf: de kraag vermoeit, de aansluiting tussen kraag en plaat gaat werken, en daar ontstaat een lek. Niet bij de fels, niet bij de klem, maar precies op de plek waar de beweging niet kon landen waar ze moest landen.
Het omgekeerde risico bestaat ook. Als u, uit voorzichtigheid, rond elke doorvoer een extra ruime speling aanhoudt zonder dat er een echte voeg is aangelegd, verplaatst u het probleem alleen maar. De plaat kan dan wel bewegen, maar zonder vaste richting, en een deel van die beweging komt terecht bij de klemmen die het dichtst bij staan. Op de lange duur is dat evenveel vermoeiing, alleen op een andere plek.
Bij een dak met veel doorvoeren beginnen wij niet met de standaardmaat, maar met de tekening van de installateur: waar komen de pijpen, de ontluchtingen, de units, en welke daarvan staan dicht genoeg bij elkaar om als één veld behandeld te worden. Op basis daarvan bepalen we de indeling van de banen, de plaats van de klemmen, en waar een extra dilatatievoeg nodig is die niet in het oorspronkelijke bouwkundige plan stond, maar die wel nodig is omdat het dakvlak door de doorvoeren in kleinere stukken uiteenvalt.
Onze banen worden op de millimeter afgekort en op maat geleverd, wat betekent dat een baan die eindigt tegen een doorvoer niet op de bouwplaats hoeft te worden ingekort met alle onzekerheid die daarbij komt. Dat scheelt niet alleen tijd op het dak, het scheelt vooral dat de klemafstand kan worden bepaald op basis van de werkelijke lengte van elk baandeel, in plaats van een gemiddelde die voor het hele dak wordt aangehouden.
Waar dit anders ligt dan bij een gesoldeerd dak, is dat de klem zelf geen vaste verbinding met de ondergrond vormt zoals een soldeernaad dat wel doet. Dat maakt het makkelijker om per baandeel een andere klemafstand aan te houden zonder dat er ergens een zwakke plek in het materiaal ontstaat. Maar het verandert niets aan het uitgangspunt: rond een doorvoer moet de plaat kunnen bewegen zonder dat de klem of de kraag dat tegenhoudt, en bij veel doorvoeren is dat uitgangspuit niet één keer maar op elke sparing opnieuw aan de orde.